---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Illegale acties
We maken thee en koffie op onze kamer en rijden dan tegen acht uur het hotelterrein af de weg op. Die gaat voornameljk omlaag, maar blijft druk. We hebben besloten om in San Christobal te blijven, ca. 15 km verder, wat uitrusten, een goeie kaart van Venezuela proberen te bemachtigen en wennen aan het land, dat toch duidelijk een drukkere indruk maakt dan alles hiervoor.
'De mensen zeggen dat ik gek ben', zegt de man die ons staande houdt als we de stad binnenrijden. Hij is ultramaratonloper, de enige in Venezuela volgens eigen zeggen. 'Het is cultuur, sportcultuur, dat begrijpen de mensen niet'. Hij heeft in Bogota 105 km gelopen en van hier naar Cucuta. Hij vindt ook dat we naar het dagblad hier, La Nacion, moeten want wat wij doen is ook heel bijzonder. Ach ja, dat vinden we zelf niet.
Na enig zoeken vinden we een hotel, beter dan gisteren. Aanvankelijk mogen ze niet binnen en moeten de fietsen naar een parkeerterrien vlakbij. Daar ben ik niet zo blij mee en de bewaker van dat terrein ook niet, want hij belt het hotel. Dan mogen ze op de kamer, dat gaat eigenljk zonder problemen. Voor tien uur, na 14 km fietsen, staan we alweer onder de douche.
Later die dag gaan we onze eerste illegale actie uitvoeren van deze reis. Eerst vragen we in het hotel waar we dollars kunnen wisselen. Tja, dat is peligroso, zeggen de dames achter de balie. Het beste kunnen we naar het Centro Commercial Sambin gaan, daar op de tweede verdieping is een casa de cambio. De koers weten ze niet. Goed, wij naar buiten, de straat op.
We houden een taxi aan en vragen hoeveel het kost naar Sambin. De man noemt een voor hier belacheljk bedrag overeenkomend met 2,5 euro. Nee, dat doen we niet. De benzine kost hier maar 0.05 dollarcent per liter! We lopen terug en gaan een winkel binnen waar ze computers en horloges verkopen. Er is niemand anders in de winkel, daar heeft Frank op gelet.
We vragen of zij weten waar het mogelijk is om dollars te wisselen. De jongens achter de balie zijn wat lacherig, maar het meisje is meer bij de tijd. Ze vraagt tegen welke koers we willen wisselen. Nu heb ik de illegale koers net op internet opgezocht, dus ik zeg 5,4. OK, dat wil ze wel doen, als we tenminste 100 dollar willen wisselen. We worden meegenomen achter de balie in een soort magazijn en daar vindt heel geheimzinnig de transactie plaats. Later bij een pilsje zijn we even bezig om uit te rekenen of dit nu overeenkomt met de koers die we in Cucuta tegen pesos betaalden, maar het klopt heel redelijk. Zo dat weten we ook weer. Je loopt een winkel binnen die spullen verkoopt die gemporteerd moeten worden en vraagt of ze kunnen wisselen. Dat zei dat Russische meisje in San Gil ook al, maar je gelooft het pas als het ook echt werkt.
Later terug in het hotel wordt ons eerst gevraagd of we de kamer per uur (!) of per nacht hebben gehuurd. Dan zegt het meisje dat er wel een gast in het hotel is die geld wil wisselen, maar we hoeven inmiddels niet meer. Althans voorlopig niet meer. Ik snap toch helemaal niets van dit soort praktijken, en die dubbele economie. We eten later in het restaurant bij het hotel. Als we dat tegen de officile koers zouden doen was het peperduur. Nu is het voor Zuid-Amerika al aan de dure kant.
Een goede kaart van Venezuela vinden is trouwens een onmogelijkheid. Dat zien we in de verslagen van de paar andere fietsers die hier waren ook al terug. Dat geven we op en hopen dat de GPS, Google Earth en de kaart op grote schaal die we in Nederland kochten voldoende is om tot Caracas te geraken. In ieder geval moeten we morgen omhoog en we zien wel hoever we komen. Dat en het andere motto bepaalt onze plannen voorlopig. We hebben nog minder dan vier weken, maar geen idee hoeveel kilometer het precies nog zijn.
Gratis benzine en duur water
Venezuela kan ons nog niet echt bekoren. Was de weg van San Antonio naar San Christobal een crime en de stad San Christobal druk en vies, de weg eruit is de eerste tien kilometer ook al niet veel soeps. Het enige pluspuntje is dat ze ons de halve liter benzine die we kopen, niet laten betalen. Ik zou ook niet weten hoe, 2,5 dollarcent is ongeveer 5,5 centavos van de Bolivar Fuerte en die muntjes heb ik nog steeds niet gezien. De 5-liter fles water die we kopen daarentegen kost meer dan 11 Bolivar Fuerte, dat is 5 dollar tegen de officiele koers!
De benzine kan dan goedkoop zijn, veel van de tankstations zijn dicht vreemd genoeg, en bij degene die open zijn, staan lange rijen. Nu snap ik misschen ook waarom ze voor de grens benzine in flessen verkochten. Er is hier trouwens meer geld met motorolie te verdienen dan met benzine zo te zien, want er staan kraampjes met mooi uitgestald allerlei kleurige flessen en containers motorolie. De huizen en ook de kerken zijn trouwens ook veel beter geschilderd dan in de landen hiervoor. Het maakt allemaal wel een vriendelijke indruk zo.
Deels gaan we over de snelweg en over een nog steeds drukke tweebaansweg, dat alles gaat omhoog. Dat laatste weten we gelukkig vandaag, dat scheelt. Maar na Cordero, na anderhalf uur fietsen, waar we koffie drinken bij een brug over de rivier, blijkt de weg veel minder druk te worden. Ook qua uitzichten en landschap wordt het steeds aangenamer. Bij een restaurant, waarvan we denken dat het wel eens het laatste kon zijn voor de col, drinken we sinasappelsap. Duur! Ze hebben hier kennelijk niet meer al die jugos naturales die ze van Bolivia tot Peru hadden.
Een eindje verder in de bocht staat een auto met frisdrank. Ik heb nog steeds dorst en bedenk hoe leuk het zou zijn als ze ons iets aanbieden van die auto. En wie schetst mijn verbazing, dat gebeurt ook. Beter nog, de eigenaar van de winkel waar ze aan het afladen zijn, roept: 'geef ze een koude'. Ik krijg twee flesjes Gatorade mee. Frank, die een eindje vooruit was komt terug fietsen om te kijken waar ik blijf, maar met die twee ijskoude gatorade moppert hij niet.
Weer een eindje verder komt een man op een brommer met een meisje achterop, die ons eerder tegemoet reed, terug rijden om ons een flesje ijskoud sinasappelsap te geven. Venezuela wordt ineens steeds aangenamer. De weg omhoog valt ook al erg mee. Het is gemiddeld nog geen vijf procent omhoog en de stukken met 8% halen we zonder problemen. Om de 100 meter stijgen stoppen we even, maar niet zo lang als in Ecuador. Het is echt veel gemakkelijker. Het sinasappelsap drinken we bij de lunch. Het brood dat ik vanmorgen kocht bij de panaderia is voor het eerst sinds Chili niet zo belachelijk zoet. Ook al vroeg je om pan de sal, het was altijd zoet. Dit is prima brood, zo goed dat ik het zonder beleg eet.
Kerk El Cobre
We gaan maar door, de top halen we wel vandaag en daarna is het allleen maar afdalen naar El Cobre. Om ongeveer vier uur zijn we boven, op 2600 meter hoogte, een respectabele klim vanaf ongeveer 800 meter in San Christobal. Boven op de Paramo de Zumbador zijn een paar restaurants en een paar artesanaliawinkeltjes. Vreemd genoeg verkopen die laatste hier voornamelijk levensgrote pluchen beesten, waarvan ik vermoed dat ze in China gemaakt zijn.
De afdaling gaat voorspoedig, in de haarspeldbochten moeten we afremmen, maar verder gaat het als een trein. Even na half vijf en na 60 kilometer fietsen zijn we in El Cobre waar ze een geweldige posada blijken te hebben. Een grote kamer, goeie douche met warm water, niet te duur volgens de onofficile koers. We eten en drinken later in een restaurant waar een man die wel heel erg op Marnix lijkt, ons bedient.
Lobby Hotel Fraon San Christobal
Het minpuntje komt later als er in de posada een soort disco blijkt te zijn waar heel veel tieners tot laat hard gillen. We vertrouwen het allemaal niet zo en halen de fietsen omhoog naar de kamer, dat slaapt toch wat rustiger.
De laatste keer
Vanwege het lawaai gisteren en het feit dat we vandaag toch maar tot La Grita gaan, een dikke 20 kilometer verderop, slapen we uit tot half acht. Al we de posada verlaten krijgen we nog een kopje koffie. Dat lijkt hier gewoonte te zijn. Goeie koffie net als in Colombia.
We dalen verder over de weg het dal in, langs allerlei miniatuurkerkjes die hier langs de weg staan, soms zelfs met elektrisch licht erin. Ze zullen er wel staan bij wijze van kruisen op plekken waar mensen verongelukten. Bij een ervan drinken we koffie. We dalen verder dan we dachten, tot 1150 meter, en we weten dat La Grita op 1440 meter hoogte ligt. De laatste paar kilometer gaan we dus weer omhoog en steil ook. Helaas blijkt als we in de stad zijn dat we dat morgen ook weer omlaag moeten, want er gaan weliswaar twee wegen naar Tovar, over meer dan 3000 meter, maar die rechtstreeks vanuit La Grita is veel te steil om te fietsen, zeggen de mensen die we erover spreken. Tja, het zij zo.
We zoeken een hotel met een parkeerplaats waar we de fietsen een beurt kunnen geven en de kettingen verwisselen. Daarmee zijn we al 300 km over tijd! Het is trouwens de laatste keer dat we dit doen. Eerst haal ik nog een broodje bij de bakker en dat eten we zittend op een stoepje op. Dat lukt straks niet meer met vieze handen. Om half vier is die klus geklaard en kunnen we eindelijk onder de douche. We lopen 's avonds eindeloos door de stad op zoek naar een restaurant dat open is en bier verkoopt. Dat lukt dus niet: we eten pizza en drinken er sinasappelsap bij.
La Grita Kettingen Wisselen
Teleurgesteld
Om zes uur loopt de wekker af en om twintig over zeven staan wij buiten klaar om met 'verse' kettingen aan de zondagetappe te beginnen. Eerst gaan we omlaag, zoals we gisteren kwamen, tot bij de afslag naar Pueblo Hondo. Daarna is meteen al niet mis, stukjes van 14%, noemen ze dat suave! En wat meer een probleem is, Franks ketting blijkt niet meer aangepast aan het pignon. Het ratelt en slaat dat het een lieve lust is. Bijstellen van de versnelling helpt niet veel. Hij doet het alleen op de twee grootste tandwielen achter, dus we rijden maar gewoon door.
De helling wordt gelukkig echt suave, 5%. De weg is rustig, het weinige verkeer dat er is, coulant. Er is zelfs een wielrenner op deze zondagmorgen op pad. Niet van middelbare leeftijd zoals op zondag in Colombia, maar een jonge jongen, tanig, een echt klimmertje. Nieuwsgierig vraagt hij me waar we vandaan komen. 'Holanda' zegt hem kennelijk niet veel, want hij kijkt wazig. 'Muy lejos', zeg ik dan maar. Als een brommer ons inhaalt gaat hij er als een haas achteraan. Kennelijk een te moeizaam gesprek.
Het weer is niet denderend, bewolkt en wat miezerig. We drinken ergens koffie langs de weg en stijgen dan verder het dal in omhoog. Er zijn redelijk wat huizen langs de weg, die inderdaad muy suave blijft klimmen. Maar wel lang. Op 2330 meter hoogte stoppen we om de resten van de pizza van gisteren te verorberen met een duur flesje gatorade dat we kochten bij de enige winkel die open is onderweg. We zitten tegenover een huis op een grasveldje, inmiddels met truien aan want erg warm is het niet meer op deze hoogte. Uit het huis komen twee vrouwen naar buiten die zeggen dat we beter bij hen binnen kunnen komen uitrusten. Ze blijven aandringen en dus doen we dat maar, de pizza meenemend.
Binnen wordt gekookt, op een houtvuur, met veel rookontwikkeling. Het huis ziet er keurig uit, smaakvol zelfs. Er staat ook een gasfornuis maar dat is overdekt met een zwarte plastic hoes. We krijgen eerst twee glazen cola, de koffie is nog niet klaar. Intussen komen er allerlei familieleden binnen, moeder, ooms en tante, neven en nichten. De vrouw des huizes is vlees aan het marineren, flinke lappen. Inmiddels heeft haar zus een heel pak koffie in een pan kokend water gekieperd en door een zeef gedaan. We krijgen koffie. De moeder brengt senoritas mee, een soort zoete soepstengels, daarvan krijgen we er ook een. De eerste kop koffie is niet goed, want die wordt ons weer afgenomen, en we krijgen nieuwe, iets sterker. Erbij een zoet kaasgebakje. Vertelden ze ons dit over Colombia, dat je door mensen uitgenodigd wordt, daar gebeurde het niet, hier wel.
Intussen gaat het koken gewoon door, de mannen drinken een borrel en lopen in en uit. Als we de koffie op hebben, willen we verder. We weten niet hoever we nog moeten klimmen en het weer ziet er wat dreigend uit. Een beetje teleurgesteld dat we niet blijven eten zijn ze wel, maar ze snappen het ook wel weer.
Mannen Met Borrel Op 2300 Meter Hoogte
Een stukje hoger begint het inderdaad echt te regenen, zodanig dat we de rode regenjassen aantrekken en die doen we niet meer uit. We stijgen en stijgen maar door, maar gelukkig nog steeds niet moeilijk. Etappes van honderd meter zijn goed te doen en we hoeven maar even op adem te komen om verder te kunnen. Eenmaal bovengekomen is het echt koud, we zijn dan ook op bijna 3100 meter hoogte.
Slecht Weer Op 3100 Meter
We rijden meteen door en dalen een stuk tot bij een afslag waar we lange broeken en handschoenen aantrekken. Nog een keer moeten we stoppen in de afdaling om handen te ontdooien, maar dan kunnen we door tot we op 1800 meter ongeveer in Bailadores aankomen. We hadden eigenlijk Tovar willen halen, maar deze weg is veel langer dan de doorgaande weg op de kaart en dat halen we niet meer voor het donker.
Het eerste hotel vinden we te duur, daar hebben we niet genoeg Bolivares voor, het tweede lijkt een urenhotel, maar ze geven ons toch een kamer voor de nacht. Onder de hete douche komen we wat bij. Op zoek naar een restaurant dat ook bier verkoopt om de inmiddels enorme dorst te lessen, hebben we meer geluk dan gisteren. We eten er een beetje junkfood met ketchup, friet, kip en mayonaise, maar dat kunnen we wel hebben na 76 km, waarvan toch al gauw 45 omhoog.
Pikkedonker
Na de vermoeiende rit gisteren mogen we van onszelf weer uitslapen tot 7 uur. De eigenaar van het hotel, Jesus genaamd, die volgens de ober van gisteravond wel geld zou willen wisselen, is er niet helaas. We hebben net iets te weinig om Merida te halen, hebben we het gevoel.
Het weer is stukken beter dan gisteren. Zelfs hier op bijna 1800 meter hoogte is het al warm om even na acht uur als we buiten staan om te vertrekken. We dalen verder over de bochtige weg tot we in Tovar zijn. Daar rijden we de stad in, op zoek naar een plek om geld te wisselen. Frank gaat een juwelier binnen, dat zijn kennelijk de plekken om het te vragen. De man wil wel dollars wisselen tegen een koers van 1 op 5. Dat vindt Frank te weinig en vraagt of er nog andere plekken zijn. Op de Plaza is een extranjero die een kledingzaak runt, die wisselt ook. Wij ernaar toe. Het blijkt een Griek, die ook 1 op 5 wisselt, maar dan vraagt of we ook Euros hebben. Die koers is veel gunstiger, dus wisselt Frank de laatste 100 euros. Nu kunnen we er weer even tegen.
In Santa Cruz de Mora begeven mijn remblokjes voor. Net voor Bogota waren die achter tot op het ijzer versleten en nu maken ze voor hetzelfde lawaai. Eerst kopen we bij de bakker iets voor bij de koffie en rijden dan tot bij een schaduwrijk plekje net buiten het dorp. Ik maak koffie, Frank vervangt de remblokjes en al gauw hebben vier jongetjes ons ontdekt en komen een praatje maken. Ze vragen mij honderdeneen dingen, maar vertellen ook van alles. Onder andere dat Chavez energie verkoopt aan andere landen en ze hier 's avonds zonder stroom zitten. Dat hebben we in Capacho al gemerkt, maar daarna niet meer.
Nieuwsgierige Jongetjes Bij Koffie Drinken
We blijven maar dalen, veel verder dan we dachten. Gisteren zei men ons, eerst dalen en dan plano tot Merida. Plano, ammehoela. Nu ligt Merida op 1670 meter hoogte, dat weten we, maar we dalen inmiddels tot onder de 500 meter. Aanvankelijk is de vallei mooi groen, maar later wordt het erg droog. Bij Estanques, waar we van plan waren te stoppen, hebben we nog geen meter geklommen en het is pas 12 uur. Dus gaan we door, inmiddels niet meer over een bochtige, rustige weg, maar over een heuse snelweg die recht omhoog gaat. Heel deprimerend is dat. We drinken ergens een glasje sap, eten een stukje verder een meloen op die we onderweg kochten, stoppen bij de afslag naar Lagunillas en kopen er mandarijnen. Om brood te eten is het te warm. Dan klimmen we nog 200 meter tot we op 1070 meter hoogte in Lagunillas zijn, waar we een posada vinden.
Inderdaad gaat hier weer het licht uit, zodra het donker wordt. We konden vanaf zeven uur eten, maar dat moet dus weer in het pikkedonker geschieden. Om half negen gaat het licht weer aan. Een achterlijk land. Dat ze dat zomaar pikken.
Pick-up
Het is alweer warm als we Lagunillas uitfietsen. We rijden een stuk evenwijdig aan de snelweg, tot San Juan, om niet dezelfde weg af te dalen die we gisteren aan het einde van de middag met zoveel moeite opfietsten. Toch gaan we ook nu omlaag, als we eenmaal op de snelweg zijn, zelfs tot 700 meter hoogte. Dat moeten we dus ook allemaal weer omhoog, op de snelweg zelfs, niet zo interessant natuurlijk.
Na 20 kilometer gaan we onder een accacia koffe drinken met een broodje dat we bij de bakker kochten. Niet lang daarna, Ejido de laatste plaats voor Merida is al in zicht, stopt er een pick-up. Ricardo, de bestuurder, biedt aan om ons mee te nemen. Eerst weigeren we, maar als hij vertelt dat het steiler en smaller wordt, gevaarlijker dus, gaan we toch maar mee.
Hij vraagt tijdens de rit honderduit en vindt het kennelijk erg interessant om met buitenlanders te praten. Hij brengt ons naar een hotel dat we uitzochten, maar dat vinden we te duur en ze hebben er geen internet. Bij het volgende hebben we meer succes, goedkoper en wel wifi. Morgen blijven we hier een dag, uitrusten en de stad bekijken. Donderdagmorgen komt Ricardo ons ophalen en brengt ons een eind omhoog, zodat we de laatste pas van 4000 meter kunnen halen. Ik heb wel gezegd, dat ik na mijn 55ste niet meer over 4000 meter hoef, maar volgens Frank gaat dat pas na deze reis in.
Groeten,
Frank en Marianne
---------------------------------------
Raadselachtig
Luid geknal gistervond toen we in een restaurant zaten te eten. De deur van het restaurant was op slot toen we aankwamen maar binnen zaten wel mensen te eten. Nadat we wat bewegingen maakten bij de deur ging die open en konden we er eten. Maar na dat luide geknal, het leken wel geweerschoten, stormde de ober en de mensen uit de keuken met hun kinderen naar buiten om te kijken wat er aan de hand was, de deur achter zich open latend. Wij snapten er niets van, maar de weinige andere gasten bleven rustig door eten en dus deden wij dat ook maar. De rust keerde weer, de mensen kwamen weer naar binnen en de deur ging weer op slot. Toen de ober later met de rekening kwam, vroeg ik wat dat was, dat lawaai buiten. 'Feliz Navidad', zei hij. (Vrolijk Kerstfeest). 'Maar het is toch pas oktober', zei ik verbaasd. 'Hier is het drie maanden Feliz Navidad', zei de ober weer met een raadelachtige glimlach. Een raadselachtig land, dat is het Venezuela.
Dat blijkt ook vandaag weer. Gisteren wisselden we geld in onze Posada, voor ons gevoel niet heel erg gunstig maar ze verzekerden ons dat het de juiste koers was. Die was namelijk erg omlaag gegaan de laatste paar dagen. Nu is die koers erg vluchtig, dus het kan natuurlijk. Vandaag in de stad bij een elektronicawinkel wisselen we op een andere plek iets gunstiger, maar nog steeds slechter dan in Cucuta en San Christobal. De man haalt er de krant bij om uit te leggen hoe dat zit. De regering pompt dollars in de markt om de (illegale) koers omlaag te krijgen. Van een land waar de regering zich met illegale koersen bezighoudt snap ik niets. Onbegrijpelijk is het. De officile koers is 2,15 bolivar per dollar, de onofficile rond de vijf. Stel ik wissel 100 dollar, krijg daar 500 bolivar voor, ga met die bolivars naar de bank en wissel ze terug, tegen de officile koers die de banken hanteren, naar dollars. Dan krijg ik er veel meer voor dan ik had. En met die dollars ga ik weer terug naar de horlogeman, enz ... Zo kun je snel rijk worden, lijkt me. Zo zal het wel niet gaan. Maar snappen doe ik het niet, die twee koersen en de bemoeienis van de regering daarin. Dat moet een bankdirecteur me maar eens uitleggen, hoe dat zit.
Kokosnoten En mandarijnen In Merida
We gaan even kijken bij de Plaza de Heroinas. Daarvandaan moet je de Vijf Witte Arenden kunnen zien, de vijf besneeuwde bergtoppen hier in de buurt, maar het is bewolkt. We zien ze niet. De langste en hoogste kabelbaan ter wereld die hier vandaan vertrekt, doet het ook al een hele poos niet meer volgens het South American Handbook. Er wordt wel aan gewerkt zo te zien. Er zijn allerlei kraampjes met niet al te bijzondere artesanalia, maar veel gehandeld wordt er niet.
Behalve wij zijn er maar een handvol mensen van wie je kunt veronderstellen dat het toeristen zijn. Nu is dat hier wat lastiger vaststellen dan in de landen hiervoor. Van de bevolking van 28 miljoen zijn er maar 150.000 echt van indiaanse afkomst en een op de zes Venezolanen is in het buitenland geboren. Het is net als Argentini en delen van Chili een veel westerser land dan alle andere Zuid-Amerikaanse landen. Maar wel het meest onbegrijpelijke wat mij betreft.
Vertrek Uit Merida
De laatste 4000-er
Al voor acht uur komen ze ons waarschuwen dat Ricardo er is. Ricardo blijkt overigens helemaal niet Ricardo te heten, maar Pedro. Maar goed hij is er, keurig volgens afspraak. De fietsen worden weer in de bak gehesen, wij voor in de cabine en daar gaan we, de berg op. Net als twee dagen geleden blijft Pedro praten en vragen stellen. Zijn favoriete Nederlandse voetballer is Frank Rijkaard, en daar heeft hij ook veel van weg. Daar komt misschien die associatie met de naam Ricardo vandaan.
M+ Pedro In Apartaderos
Hij vertelt over een boerderij van een zangeres bij Caracas waar jongens uit Peru naar toe gehaald waren onder het mom dat ze daar werk zouden krijgen. Maar in werkelijkheid werden ze opgeleid om een aanslag op President Chavez te gaan plegen. En daar zat de CIA achter, natuurlijk. Pedro is erg voor Chavez, dat is wel duidelijk.
We komen langs het huis waar Simon Bolivar geslapen heeft toen hij de weg van Merida naar Caracas nam. Er is vlakbij ook een standbeeld voor de Perro Nevada, de witte hond die hem vergezelde. Die hond, Nevada genaamd, kreeg Bolivar in 1813. Hij en een Indiaanse jongen Tinjaca, hebben Bolivar vergezeld tot ze beiden op dezelfde dag de dood vonden bij de slag om Carabobo in 1821.
We komen langs een kerkje gewijd aan de Virgen de Coromoto en gewijd door JPII, die uit losse stenen zonder cement is opgebouwd door Juan Felix Sanchez, beeldhouwer, filosoof en clown.
Kerkje Juan Felix Sanchez
Hij ligt er begraven samen met zijn vriendin, Epifania Gil. We stoppen ook even bij het monument van de Loco Luz Caraballa, maar het verhaal daarachter kent hij niet. Na bijna twee uur rijden zijn we in Mucuchies, waar we afgesproken hadden dat hij ons naar toe zou brengen al voorbij. Hij wil ons de Laguna Mucubaji laten zien. Hier zijn dertien jaar geleden twee Nederlanders verdronken toen hun opblaasbare boot lek raakte en ze door kou bevangen, het water is 2 graden, de kant niet konden bereiken. Hij vertelt het allemaal erg opgewekt, onze Pedro.
F+M Voor Lago Mucubaji
We hebben de Zuid-Amerikaanse gewoonte, waar we ons in Argentinie nog over verwonderden, overgenomen. ook wij gaan glimlachtend voor het meer staan, al dan niet met Pedro, en laten ons op de foto zetten met het meer op de achtergrond. Inmiddels zijn we op 3400 meter hoogte aangekomen en is het fris. Van de witte arenden geen spoor. De sneeuw smelt snel tegenwoordig, zegt pedro. In december is er wel sneeuw. Van het meer gaan we terug naar Apartaderos, waar we eigenlijk vanuit Mucuchies naartoe hadden willen fietsen vandaag, en drinken er koffie met Pedro. Dan wil hij terug naar Merida, maar de weg is geblokkeerd door een vrachtwagen die vastzit. Wij gaan op de fiets door naar boven, naar de laatste 4000m-top van deze reis.
De Laatste 4000m Top Pico De Aguila
Het weer is redelijk vandaag en de uitzichten goed. We gaan in etappes van 60 meter omhoog, we zijn inmiddels wat kortademig omdat we snel van 1700 naar 3400 meter gegaan zijn met de auto. Maar vergeleken met de eerste keer echt klimmen op deze hoogte, de paso Agua Negra, gaat het nu stukken makkelijker. Toch wat conditie opgebouwd deze reis. We drinken nog koffie, in de berm en eten er een pruimenbroodje bij dat ik kocht net voor we uit Merida weggingen.
Het wordt steeds kaler, minder bomen, maar wel veel bloemen. Bijvoorbeeld frailejon, een typische plant voor hier met grijsgroene fluweelachtige bladeren en gele bloemen, die van september tot december, nu dus, bloeit. Het water stroomt van de berg af en het is er erg groen.
Frailejon
Na bijna twee uur fietsen zijn we boven, op 4128 meter hoogte vertelt een bord ons. Er zijn wat kraampjes met artesanalia, een restaurant en een monument. Frank vervangt voor we aan de afdaling beginnen nog zijn remblokjes voor, ik koop kaas en we eten een boterham. Daarna gaan we afdalen en daar komt voorlopig geen einde aan. Met jas en langebroek aan, muts op en handschoenen aan is het nog koud. Het is weliswaar 13 graden in de zon, de wind is niet mis en omdat we dalen en niets doen koelen we alleen maar af. We moeten een paar keer stoppen om de gevoelloze handen en voeten weer tot leven te brengen met allerlei vreemde gymnastische bewegingen. Even na vier uur zijn we in Chachopo en vinden we het genoeg voor vandaag. Onder de warme douche van Posada de Chachopo ontdooien we pas echt.
Koude Afdaling Naar Chachopo
Ook hier heeft Simon Bolivar geslapen toen hij op weg was om Colombia te bevrijden. Toe maar. Naast het hotel is een veld dat vol staat met artisjokken. die zagen we ook al toen we van de berg afkwamen. Het lijkt een streekspecialiteit en als de madam van het hotel aanbiedt om die klaar te maken, zeggen we er ja op. Het smaakt allemaal prima na zo'n dagje kou, maar het is allemaal wat duurder dan gepland. Hopelijk halen we het met de dollars die we hebben.
Snikheet
Om acht uur pas kunnen we ontbijten, tortilla met spinazie en koffie. We vragen er brood bij in plaats van arepas. Dat schijnt nogal bijzonder te zijn want de madam vraagt tot drie keer toe of we echt brood willen. Ja dus.
Na het ontbijt dalen we verder, eerst via allerlei haarspeldbochten, later wordt de weg rechter. In Timotes is een omleiding waardoor een enorme opstopping is ontstaan aan twee kanten van de weg. Wij kunnen er met enige moeite voorbij en hebben verder het voordeel dat ons maar mondjesmaat auto s inhalen. De weg is veel rustiger dan normaal. Bij een tankstation in de schaduw van wat bomen drinken we koffie. Het is al weer goed heet nu we zo laag zijn. Wat een verschil toch, gisteren hadden we het koud, nu hebben we het snikheet.
In Valera gaan we naar het hotel dat de man van de Posada de Chachopo ons vanmorgen aanraadde. Frank gaat binnen kijken en komt terug met de mededeling dat het veel te duur is. Maar volgens diezelfde jongen was dit wel het meest veilige stuk van de kennelijk gevaarlijke stad en moest je hier blijven. Ik ga naar binnen en vraag hoe duur een kamer is. Ik hoor een andere prijs, nog steeds te duur maar wel lager dan waar Frank mee kwam. Op mijn vraag of er ook goedkopere hotels zijn, bellen ze naar een ander hotel van dezelfde keten aan de andere kant van de stad. Dat is weer iets goedkoper. We pakken de boel op en gaan op weg daarnaartoe, maar voor we het parkeerterrein af zijn gebeurt waar ik op gehoopt had. We worden teruggeroepen en ze bieden bijna dezelfde prijs als het andere hotel. Dus blijven we hier.
Valera is niet veel soeps, een moderne stad, veel flats, sommige mooi en nieuw, andere oud, lelijk en vies. We lopen wat rond op zoek naar een supermarkt, verzanden in een Mall waar geen supermarkt is, vinden er uiteindelijk een maar die verkoopt weer geen bier. Dat is toch lastig hier in deze hitte, bijna geen winkel verkoopt bier en ook in de restaurants verkopen ze vaker niet dan wel bier. Over wijn praten we al niet meer sinds San Gil in Colombia. Ze hebben hier wel wijn, vino tinto zelfs, maar die is gemaakt van mora (bramen) en dat lijkt ons helemaal niets.
Imiddels hebben we meer gefietst dan 12 van de 27 inzenders op de prijsvraag dachten. En we moeten nog een stukkie. (in geval er erg oplettende lezers zijn: ja, er is een inzending bijgekomen, na de sluitingsdatum, dat wel, dus daar zullen we rekening mee houden bij het uitreiken van de prijzen.)
Groeten,
Frank en Marianne
--------------------------------------------------------------------
Regen
Het is maar een klein stukje vandaag, 37,8 kilometer,, dus we hebben niet echt haast. Na negen uur begeven we ons naar buiten, de hitte in. We betalen nog minder voor het hotel dan ze gisteren zeiden. We gaan eerst dwars door de stad heen, omlaag en daarna nog een kilometer of 16 alleen maar omlaag over de snelweg. Die heeft gelukig een brede schouder, dus gevaarlijk is het niet.
Het is erg groen in deze vallei, het zal er wel geregeld regenen dus. Als Trujillo in zicht komt, gaan we omhoog en nog steil ook. Het stuk door de stad is helemaal steil en lastig. We gaan er naar het enige hotel dat het South American Handbook vermeldt, maar we zijn er te vroeg, de kamer is nog niet schoongemaakt. Op de Plaza is een ander hotel, maar dat is duurder en het meergeld niet waard. Hotel Gallegos wordt het dus.
Als we gedoucht hebben en naar buiten willen, regent het dat het plenst. De straat is veranderd is een snelstromende rivier. Het was natuurlijk ook niet voor niets zo benauwd vanmorgen. We wachten even tot het droog is en gaan dan naar de bakker. Als je hier iets wilt eten, maar niet een complete maaltijd wilt, ga je naar de bakker. Daar vraag je hoe het broodje van je keuze heet, gaat naar de kassa, betaalt daarvoor, krijgt een bonnetje en voor dat bonnetje krijg je dan je broodje met koffie. Een grande cafe is voor ons doen een klein bakje, maar ze hebben hier wel lekkere koffie. Soms zijn er tafeltjes en stoeltjes waar je het op kunt eten, soms zoals nu eet je het staande in de winkel op.
Trujillo is een koloniale stad. Het leuke is dat de straten er weer namen hebben en niet calle of carrera nummer zoveel heten. Veel van de huizen hebben een bord aan de gevel waarop staat wie er wanneer was. Generaal Sucre, die samen met Bolivar Venezuela bevrijdde, woonde hier, Bolivar zelf woonde weer ergens anders. Dat zet zich voort want er worden ook allerlei mensen en activiteiten beschreven van ruim na de bevrijding.
Het regent dan weliswaar niet meer, de stad die op 800 meter hoogte ligt, zit helemaal in de wolken. Het wordt zo donker dat om vier uur de straatlampen vanzelf aan gaan. We doen een paar boodschappen, drinken een pilsje en omdat het alweer regent gaan we terug naar het hotel. Morgen moeten we een flink eind, goed omhoog ook, dus moeten we goed uitgerust zijn. Hopelijk is het niet zo grijs en nat dan.
Lange fietsdag
We zijn vroeg op en staan om kwart over zeven klaar om te vertrekken. De nachtwaker van het hotel raadt ons aan om over de slingerweg over de bergen te gaan naar Bocono. Als we terug gaan naar Plazuelita en dan naar Bocono is het erg steil. Dit is dan wel verder, maar als ik het goed begrijp wel allemaal verhard. Frank heeft op Google Earth gekeken in Valera en dacht dat er een stuk onverhard zou zijn. We zullen zien. Het weer is in ieder geval beter dan gisterenmiddag, droog en een flauw zonnetje.
Reuze grote groene Varens
We rijden de stad uit, langs de brandweer omhoog. De weg is smal en er is af en toe wat verkeer. Het blijft erg groen en de uitzichten zijn prachtig. De Virgen de la Paz, een metershoog standbeeld van de maagd op een berg aan de overkant van het dal, blijft lange tijd in zicht. We stoppen zoals gewoonlijk om de 100 meter klimmen.
Het eerste stuk is redelijk steil, 5 tot 8%. Na een kilometer of 20 vlakt het wat af en neemt de kruissnelheid toe van 5 of 6 km/h tot 8 of 9 km/h. Er komt maar geen einde aan de klim. In een bocht van de weg is een stalletje waar allerlei opgeschoten jongeren met brommers staan. We drinken er een Maltin, de Venozolaanse variant van de Colombiaanse Pony Malta. In Colombia vonden we het te zoet, maar vandaag met al dat klimmen kunnen we het wel hebben.
Weelderig Groen
Inmiddels geraken we in de wolken, letterlijk wel te verstaan. We zijn op bijna 2000 meter hoogte. Ne een droge boterham met kaas en jam, klimmen we echt de wolken in. Het is fris ook. Omdat je niets ziet, hopen we dat na elke bocht de top is, maar dat blijkt dan niet zo te zijn.
Falta poco (nog een klein stukje), zegt een jongen voor een huis. Nu kun je nooit afgaan op wat ze hier zeggen, want ze hebben geen idee van afstanden, maar we hopen er het beste van. Een eindje verder komen we twee fietsers tegen die van de top komen. Die hebben misschien wel gevoel voor afstanden. Frank staat een poosje met ze te praten en ze vertellen dat het nog 800 meter is. Maar helaas, ook dat klopt niet.
Twee kilometer verder zijn we echt op de top, op 2515 meter hoogte, misschien wel onze laatste top boven de 2000 meter. We eten er een power bar, doen truien aan en beginnen af te dalen. Het is bijna half vier inmiddels. de afdaling gaat snel, net zo snel als een auto blijkt als we telkens achter een jeep terecht komen. We gaan door wat riviertjes die over de weg lopen, uitkijken geblazen dus. Je zult maar slippen in zo n bocht.
Om kwart over vijf zijn we in Bonoco. Het laatste stuk de stad in is erg steil. De GPS geeft een paar hotels aan, maar we kunnen ze op de aangegeven plek niet vinden. Op weg naar het laatste, dat overigens wel op de goeie plek ligt, komt iemand van de proteccion civil ons helpen. Hij loopt mee, let de hele tijd op dat Frank niet onder een auto loopt, maar trekt zich van mij niets aan. Ik hobbel er maar wat achteraan.
De posada is vol, (er is kennelijk een lang weekend) maar de eigenaar belt behulpzaam naar een andere, een eind verderop, en de man van de proteccion civil loopt weer met ons mee. Tegen zes uur, het is vrijwel donker zijn we onder dak. Na de douche vragen we de madam van het hotel naar een restaurant. La casa vieja de nona, raadt ze aan. Daar eten we veel en drinken er veel bier bij. Dat was nodig na de dag van vandaag, 1800 meter klimmen en meer dan 80 kilometer fietsen. We waren dan ook lang onderweg, het was een van de langste fietsdagen van de hele reis.
Vlinder Op Stuur
Weelderig groen
'Na Mosquey moet je nog vier bochten omhoog en daarna is het alleen nog maar afdalen', zegt een van de buschauffeurs die aan het hek komt kijken waar wij even staan uit te puffen. 'Nee, het zijn er meer', zegt een ander. Lastiger dan dit stuk kan het bijna niet zijn. Moesten we gisteren het laatste stuk steil de stad in, nu vervolgen we die weg, steil de stad uit. Maar na 300 meter klimmen is het ergste leed geleden. Het vlakt wat af en we zweten wat minder.
Na Mosquey is er een estancia waar je kunt overnachten, maar het ziet er vanaf de weg niet zo mooi oud uit als die net boven Quito waar we een tijd geleden waren. Goed dat we hier gisteren niet naar toe wilden, het was veel te ver geweest.
In een van de bochten na Mosquey drinken we koffie en eten er een zeer calorierijk pruimenbroodje bij. Dat houdt ons voorlopig op de been.
Pruimenbroodje Bij De Koffie Onderweg
Tot onze verrassing maakt de weg ineens een bocht naar rechts en zijn we bij de Laguna de Agua Negra, het hoogste punt van vandaag, op ongeveer 1870 meter. Halen we de 2000 net niet meer. Dan begint de afdaling, enigszins bemoeilijkt door slecht wegdek.
Gisteren was de weg in de afdaling prima maar hier is het uitkijken geblazen, gaten, stukken asfalt die ontbreken en stroompjes die over de weg stromen. Maar langs de weg is het prachtig, weelderig groen met hier en daar rode, gele, witte of purperen bloemen. Dat is wel leuk van de tropen, die weelderige begroeiing. (Niet leuk, vinden wij althans, is de benauwde hitte soms en het vroege donker worden.)
Nog twee keer moeten we een eind omhoog een hobbel van 75 en een van 120 meter over, maar dan wordt zelfs het wegdek goed en kunnen we relaxed afdalen. In Campo Elias drinken we nog een koude sportrade, een soort gatorade, maar eten hoeven we niet.
Deze weg is wel wat drukker dan die van gisteren, maar vergeleken met bijvoorbeeld de weg van San Antonio naar San Christobal, is die rustig te noemen. Ik ben blij dat we de weg door de bergen genomen hebben. We hadden vanuit Merida naar het westen gekund, naar de Panamericana of naar het oosten naar een andere snelweg.
Ongetwijfeld iets makkelijker qua klimmen, maar vast niet zo leuk. Voor deze weg is de GPS echter wel noodzakelijk. Een goede gedetailleerde kaart van Venezuela bestaat niet, maar de kaart in de GPS is prima. Gisteren in Bocono stonden er zelfs hotels, restaurants en supermercados op. Vandaag niet.
Biscucuy is kennelijk een wat mindere plaats. Het is er ook erg druk en rommelig als we de stad binnenrijden, Bocono was veel rustiger en helemaal niet rommelig. Na enig rondvragen vinden we een hotel aan de Plaza. De fietsen staan in de enorme eetzaal en wij binnen de korste keren onder de douche, koud weliswaar maar dat geeft niet op deze hoogte. Gelukkig heeft de kamer wel een airconditioner.
Motorolie
Voor acht uur staan we buiten, klaar om te vertrekken. Het eerste stuk moeten we terug over de weg zoals we gisteren de stad inkwamen, tot bij een brug over de rivier, daar slaan we rechtsaf en blijven de rivier volgen. Omhoog, dat wel, maar tussen palm- en bananenbomen, metershoge bougainvillea in allerlei kleuren die schaduw op de weg werpen, en vlijtige liesjes laag bij de grond is het aangenaam fietsen, ook al omdat er weinig verkeer is.
Het enige onaangename vandaag is dat ik weer aangevallen word door een vliegend beest dat me op drie plaatsen steekt. Vooral de steek in mijn been doet erg pijn. Enfin, ik neem maar weer wat antihistaminepillen en hoop er het beste van. Om te voorkomen dat mijn been helemaal stijf wordt, fietsen we door, ik een lage versnelling.
Af en toe in een linkerbocht van de weg komt er van rechts weer een stroompje de weg overzetten en spettert het even lekker fris tegen onze benen. Er zijn links en rechts van de weg af en toe huizen, kleine gehuchtjes zelfs, maar een echt dorp waar ze koele drankjes verkopen komen we niet tegen. Daarin voorziet Venezuela toch minder goed dan Colombia. Ze verkopen hier liever motorolie langs de weg in stalletjes dan drankjes.
Koffie Drogen Op De Weg
Intussen blijven we maar omhoog gaan, niet erg steil, 5% gemiddeld en maar twee korte stukken van 15% die we, uiteraard met onze hoeveelheid bagage, moeten lopen. As we denken dat we boven op de col zijn, 1400 meter ongeveer, is er ineens een licoreria, een plek waar ze alcoholische dranken verkopen, in de middle of nowhere. Gelukkig hebben ze er ook cola, die enig tegenwicht moet bieden aan de slaperigheid vanwege de pillen. We zijn dan nog niet op de top, daarvoor moeten we 100 meter omhoog, maar daarna is het alleen nog afdalen naar Guarico. Goed dat we niet door gaan naar El Tocuyo, het oorspronkelijke plan, want het is inmiddels half vier.
De Posada Casa Grande die de GPS vermeldt ziet er potdicht uit. Er hangt een groot hangslot op de deur, naast een telefoonnummer dat je kunt bellen als er niemand is. Maar veel fiducie hebben we daar ook niet in. We vragen in het dorp of er nog een andere overnachtingsmogelijkheid is. Die is er gelukkig, en in een nog niet af gebouwd groot gebouw, dat slechts aan zijn grootte als mogelijk hotel te herkennen is, hebben we een kamer op het enige galerijtje dat min of meer af is. Maar ach alles is er, dus we mopperen niet.
Het kost later wat moeite om eerst iets te drinken en later iets te eten te vinden, maar met hulp van de hotelbaas lukt ook dat laatste. Hij neemt ons eerst mee naar een donker hol met plastic stoeltjes en een lege vitrine. Hier waren we uit onszelf niet op zoek gegeaan naar iets eetbaars. Dat is er dan ook niet, blijkt. Maar, verzekert de eigenaar van de zaak hem, Franco heeft wel pollo.
Wij naar Franco. Dat blijkt een biljardzaal te zijn. Hier waren we ook al uit onszelf niet gaan vragen, ondanks het bord Si Hay pollo (Ja, we hebben kip.) We worden om de toonbank met kauwgom en andere snoepwaren heengeleid tot een ruimte achter de biljardzaal, waar we aan een houten tafeltje met dito stoelen kunnen plaatsnemen. Gelukkig heeft Franco wel bier, Polar Light en niet ons gebruikelijke Polar Negra, maar vooruit. Het eten valt later niet tegen, kip natuurlijk, maar deze keer zonder rijst en met arepas, hoewel dat ook niet onze favoriete kost is, maar het is beter dan niets. Via de bakker gaan we terug naar ons hotel en als we net koffie gezet hebben, valt de stroom uit. Dus als die koffie op is, gaan we maar slapen.
Zwembad
De deur naar het balkon, waar onze fietsen staan, is op slot en de auto van de baas staat niet voor de deur. Frank maakt zich zorgen dat we niet bij de fietsen kunnen. Als we een andere hotelgast horen, gaat hij vragen waar de baas is, maar de man weet iets beters, namelijk waar de sleutel van de deur is. Probleem opgelost! Eigenlijk al voor dat het echt ontstaan was. Later blijkt de vrouw van de baas er wel te zijn en die had ook vast geweten waar de sleutel was.
Via de bakker, waar we een kopje koffie drinken en broodjes kopen voor de lunch, rijden we het dorp uit. De weg blijft op een paar kleine stukjes na dalen en het schiet lekker op. Ruim voor tien uur zijn we in El Tocuyo waar we geld willen wisselen. Daarvoor ga je naar een winkel die er netjes uitziet en spullen verkoopt die waarschijnlijk met dollars betaald moeten worden bijvoorbeeld eencomputerwinkel zoals deze keer, of een juwelierszaak. Daar vraag je dan of ze wisselen en als ze dat zelf niet doen weten ze meestal wel waar het wel kan. Zo ook nu. We worden naar de schoenwinkel een blok terug gestuurd. Na enig heen en weergepraat met de baas, wisselt Frank 100 dollar tegen een redelijke koers (althans voor zover we weten.)
Helaas is na El Tocuyo de mooie weg op en moeten we over de snelweg verder. Volgens de kaart zou dat pas na Quibor het geval zijn. Onder een boom vlak naast de snelweg drinken we koffie en raffelen dan de rest van de weg af naar Quibor. Daar is maar een hotel, dus daar moeten we wel naar toe. Het is niet slecht, met zwembad, maar allemaal wat ouderwets.
We lopen later even de stad in. Het is snikheet, net zo heet als in Valera, en bijna alle winkels zijn dicht. We drinken ergens een pilsje, ook al is het daar eigenlijk te vroeg voor. Later komen we langs een winkel waar ik denk nog een nuttige boodschap te kunnen doen, maar soms is het erg lastig als je de Spaanse woorden voor wat je wilt hebben niet kent. En dan hebben we ons woordenboekje, waar trouwens ook maar weinig in staat, niet bij ons. Toch komen we er met veel handen en voetenwerk altijd wel uit. (Voor wie het wil weten, ajugar is haken in het Spaans, althans hier).
Groeten,
Frank en Marianne
--------------------------------
Snelweg
Het stuk van Quibor naar Barquisimeto kan met stip in de minst interessante top tien van etappes op nummer 1 binnenkomen. Snelweg, razend verkeer, een dorre droge vallei met nauwelijks begroeiing, veel rotzooi langs de weg, soms stinkend en wel, en geen hellingen van enige importantie, niet omhoog en niet omlaag. Het schiet dan ook hard op.
Het enige vermeldenswaard zijn de kraampjes langs de weg die allemaal aankondigen dat ze queso de cabra (geitenkaas) verkopen, maar die zie je er niet. Wel aluminium gevallen, lage pannen met deksels en vierkante dozen met een verhoging erin. een roostertje erop en ook met een deksel. Intrigerende dingen zijn het en ik moet weten wat het is. Bij zo een kraampje stoppen we even. Dat zijn spullen die je nodig hebt om arepas te maken helpt de jongen me uit de brand. Maar niet echt want ik snap het nog steeds niet.
Het gekke is dat als je langs zo'n weg een kraampje ziet met dit soort spullen, je er de klok op gelijk kunt zetten dat er nog vele volgen. Allemaal verkopen ze precies dezelfde spullen en vaak tegen precies dezelfde prijs. Dat is al vanaf Bolivia zo, is er een zaak die auto-onderdelen verkoopt, dan heb je meteen een hele straat vol met winkels die het zelfde verkopen. Is er een kapper, dan zijn er gelijk twintig. Je kunt zo wel makkelijk kiezen natuurlijk, maar logisch is het niet.
Ruim voor 12 uur zijn we in Barquisimeto, een grote plaats. De entree is vervelend, een stoffige weg met veel verkeer, busjes die te pas en te onpas stoppen langs de weg en ons dan snijden. Maar gaandeweg de stad in wordt het beter, de huizen zien er beter uit, de weg is beter en het verkeer niet meer zo rommelig. Het eerste hotel is bemand, of beter bevrouwd door een meisje dat de regels heel strikt hanteert. Je huurt een kamen voor precies een dag, van 13h00 tot 13h00, dus we mogen er nu niet in. Of de kamer dan niet klaar is? Dat doet er niet toe, zo zijn de regels. Dat we misschien eerder weggaan dan 13h00 zal er ook wel niet toe doen en als ze er ook nog geen internet blijken te hebben, gaan we op zoek naar een ander waar we wel al binnen mogen.
De rest van de dag gaat voorbij met het zoeken naar een plek waar we niet al te ongunstig kunnen wisselen. Die koers wisselt zo snel, met het uur lijkt het, dat we daar veel tijd in moeten stoppen. We gaan naar een winkel waar American Exchange op staat en vragen aan de eigenaresse of die weet waarje kunt wisselen. Zo een winkel heet natuurlijk niet zomaar zo, denken wij. Ze denkt wat hardop en roept er uiteindelijk een man van de security (!) bij die ons naar een lokaal stuurt waar ze ogenschijnlijk niets verkopen. Het is dichtgeplakt met kranten. Maar het wisselen lukt er tegen een koers die beter is dan het hotel ons biedt en beter dan de eerste juwielier ons biedt. Maar wat een gedoe. Ik zal blij zijn als we thuis weer gewoon geld uit de muur kunnen halen. En gewoon bier bij AH kunnen kopen, want daarmee gaat de rest van de middag voorbij: zoeken naar een winkel waar ze bier verkopen. Daarvoor moet je net als in de VS en Canada bij een licoreria zijn. Dat is dan weer helemaal niet socialistisch in dit land, waar ze net als in Cuba op de muren schrijven: Patria, Socialismo o Muerte, venceremos! (vaderland, socialisme of de dood, we zullen overwinnen!)
Kunst
Vandaag hebben we vrij en vanwege de hitte en de drukte in de stad doen we niet zoveel vandaag. We houden ons voornamelijk op onze geairconditionede kamer bezig met dingen die we thuis weer moeten gaan regelen. treinkaart uitzoeken, nieuwe laptop uitzoeken, inventariseren wie er naar het feest komt en wie niet. We lopen nog wel even de stad in en bezoeken er het museum dat in het oude ziekenhuis is gevestigd en vinden het gebouw mooier dan de kunst die er hangt.
Stalletje Met Arepaspullen Voor Barquisimeto
Het wordt weer een hele tour om iets te eten hier. Net als gisteren, toen we bij een paar restaurants weggestuurd werden naar een ander omdat er geen eten was, lijkt het bij El Mansion ook weer zo te zijn. Er zijn zes obers, keurig in pak, druk bezig iedereen van bier te voorzien. De muziek staat er loeihard. We vragen of we er kunnen eten en dat kan. Maar het duurt lang eer we wat krijgen en verder eet er niemand. Vreemd land wat dat betreft.
Opnieuw snelweg
Barquisimeto ligt op bijna 600 meter hoogte. Het is er warm en dus vertrekken we vroeg, voor acht uur nog. De stad uit is makkelijker en aangenamer dan erin. De kaarten op de GPS zijn erg handig, het gaat zonder problemen. Eenmaal op de snelweg schiet het hard op. De snelweg heeft gelukkig over het algemeen een brede schouder. Gelukkig want het verkeer rijdt hard.
Na een uur en een kwartier komen we langs een soort parkje bij een metershoog mariabeeld. In metershoge heiligenbeelden zijn ze hier goed in Venezuela.
Metershoge Heiligenbeelden Langs De Weg
Omdat we twee dagen geleden maar geen plek vonden om koffie te drinken, stoppen we nu hier, iets te vroeg, want normaal drinken we pas koffie na anderhalf uur fietsen. Er staat een circustent vlakbij en de geluidswagen nodigt iedereen uit voor de voorstellingen, net als een half jaar geleden in Taltal.
Het landschap aan deze kant van de stad, die bijna een miljoen inwoners telt, is een stuk aangenamer dan aan de andere kant. Het is er groener en het heuvelt. Voorlopig gaan we omlaag met een heel aangenaam percentage, 1%, dat wil zeggen dat je zonder remmen een kruissnelheid van 30 km/h kunt aanhouden. We zijn dan ook al voor 12 uur in Chivacoa, waar we zouden stoppen. We rijden de stad in, die druk is en een rommelige indruk maakt. De GPS heeft geen plattegrond en ook geen hotel. We drinken er een gatorade op de plaza en besluiten door te fietsen. Er is een stuwmeer vlakbij en misschien is daar wel een hotel.
Net voor we dat stuwmeer bereiken staat er een bord coco frio en omdat we dat nog moeten proberen, en trouwens ook nog steeds dorst hebben, stoppen we er. Een klein meisje komt naar ons toe en we vragen of ze coco frio hebben. Ja, zegt ze, en ze gaat, vermoedelijk, haar vader halen.
Coco Frio
Nu is het hier normaal zo dat allerlei kleine kinderen de negotie afhandelen, maar nu wordt duidelijk waarom er een vader aan te pas moet komen. Uit de diepvries komen twee cocosnoten en met een machete wordt er met geweld een hoekje afgekapt. Daar komt een rietje in en dan drink je de noot leeg. Volgens Pedro uit Merida is het beter dan allerlei hydraterende drankjes zoals gatorade. Het is lekker, niet zoet, maar een noot is wat weinig om echt te hydrateren.
Een eindje verder bereiken we het laagste punt van vandaag en sinds lange tijd (sinds Trujillo in Peru, de Galapagos niet meegerekend) bij de stuwdam, 229 meter. Vanaf daar gaan we weer omhoog. We zitten inmiddels niet meer op de snelweg naar Caracas, volgens de kaart op een secundaire weg naar Valencia, maar die heeft nog steeds het karakter van een snelweg: vierbaans, nu zonder vluchtstrook en hoewel iets rustriger dan de andere weg, rijdt men er minstens even hard. Het stijgingspercentage is wel aangepast aan de snelweg, we komen nauwelijks boven de 5% uit.
Bij een tankstation moet er nog een flesje sap aan te pas komen om Nirgua op 800 m te bereiken. Dat is een aangenamer stad dan Chivacoa, maar als we geweten hadden dat we zover omhoog moesten ... Ach, zegt Frank als we bij het hotel zijn, als we geweten hadden dat ze er dit hotel hadden, hadden we het wel gedaan. Mooie grote kamer, airco en niet duur. maar we hebben er wel precies 100 km voor moeten fietsen vandaag.
Foto
'Son los Holandeses', hoor ik de mensen in de straat zeggen als we langs fietsen. We zijn al weer bekend in Nirgue. Het is acht uur op zondagmorgen en zoals gebruikelijk zijn er al veel mensen op straat. Ze vegen de stoep of de straat voor hun huis of doen iets onduidelijks dat op werk lijkt. Altans in dit deel van Venezuela, in andere provincies is dat weer niet zo. Dat vegen zag je in Colombia ook, daarvoor interesseerde het de mensen niet zo hoe het er op straat voor hun huis uitziet.
We rijden Nirgua uit, de snelweg op. Het blijft groen en het blijft heuvelen. We dalen af en toe tot 630 meter hoogte maar stijgen dan ook weer tot 830 meter. Bijna de hele dag rijden we tussen de metershoge struiken met gele bloemen door. Het zijn net helemaal gele margrieten, die bloemen, en we hebben ze alleen in Venezuela gezien, niet in Colombia waar het landschap verder toch overeenkomstige trekken vertoont. Nu liggen grenzen altijd op plekken die de natuur aangeeft, bergkammen of rivieren bijvoorbeeld, maar dat twee staatshoofden iets afspreken in de trant van 'mijn land begint waar de gele bloemen beginnen of ophouden', geloof ik toch niet.
Snelweg Tussen Gele Bloemen
Het is zondag vandaag en dat wil zeggen dat er meer mensen op de weg zijn die in ons genteresseerd zijn dan door de week. We worden weer geregeld op de foto gezet, vanmorgen al door een van de kamermeisjes van het hotel. Auto's blijven langzaam naast ons rijden, ook als ze het andere verkeer op de snelweg ophouden, om ons vragen te stellen. Waar we vandaan komen, waar we naar toe gaan enz.
In La Mona, het is bijna twaalf uur, hebben we net als gisteren om die tijd alweer 52 kilometer afgelegd en we stoppen er voor een koud drankje. Maltin, deze keer, daar zitten wat meer calorien in dan in gatorade. We zitten even onder een afdak bij een restaurant uit de zon af te koelen als er een heel gezelschap op ons afkomt en de gebruikelijke vragen gaat stellen. Een van de mannen heeft ons vier dagen geleden in Quibor ook al gezien, vertelt hij. Een ander vraagt of we geen arepa met iets willen eten, maar omdat we daar geen liefhebber van zijn reageren we wat lauwtjes. Sap dan. Nee dank u, zegt Frank, we hebben al wat te drinken. Toch komt de man even later terug en zijn vrouw geeft ons een plastic zak met plakken cake, koekjes en een pak sap. Dat is Venezuela op zondag.
Op de borden staat dat Valencia nog 30 kilometer is en Caracas nog 217 kilometer. Vandaag gaan we tot Valencia is het plan. We blijven er misschien een dag, anders zijn we veel te vroeg in Caracas. De weg wordt drukker, zeker vanaf het punt waar de echte snelweg erbij komt. We hebben dan sinds La Mona 30 kilometer gefietst en dan staat er op de borden: Valencia 12 kilometer, Caracas 157 kilometer. Veel klopt er niet van. die borden, maar dat wisten we al. Gelukkig zit er in de GPS een goede kaart van Venezuela. Daarmee rijdt Frank de stad in, recht op het hotel af, alsof hij er al jaren komt.
Valencia is een vieze, rommelige stad, zeker op zondag als alles dicht is, niemand op straat is en het extra opvalt dat er overal afval ligt. Het hotel is ook maar zo-zo, dus we blijven er maar een nacht en hopen dat we morgen in een kleinere plaats een aangenamere plek vinden. Na het douchen gaan we op zoek naar een plek om een pilsje te drinken, maar dat is vrijwel onmogelijk op zondag. Echt alles is dicht, alleen op de eerste verdieping van ons hotel, waar je op de paardenrennen kunt gokken, kun je bier krijgen. Maar daar staat het gezelschap ons niet zo aan. Frank komt op het lumineuze idee om naar het dure hotel vlakbij te gaan, daar is vast een bar-restaurant open. En dat is ook zo. We brengen er de rest van de middag door met bier drinken en wat eten. De stad nodigt echt niet uit tot verdere exploratie, zeker niet bij avond dus we zijn vroeg terug in het hotel.
Koersen
We slapen niet veel, het bed is niks, de airco moet aanblijven anders is het te benauwd, en maakt een heidens lawaai. Om acht uur staan we buiten, dit keer zonder ontbeten te hebben op de kamer. Gisteren was alles dicht, vandaar. We rijden eerst de Avenida Bolivar af naar het noorden, op zoek naar een plek om te wisselen. We vragen het en worden naar een officieel casa de cambio gestuurd, waar ze dus de officiele koers van 2,15 BF per dollar hanteren. Maar dat willen wij niet natuurlijk. Voor het kantoortje komt er een man op ons aflopen die vraagt of we willen wisselen. Dat hangt van de koers af natuurlijk. Wat hij biedt is niet bijzonder gunstig, bijna 10% lager dan we Cucuta betaalden. Toch wisselen we maar 100 dollar, we moeten de dag en morgen er mee door kunnen komen.
De man legt ons uit hoe we hier wegkomen, over de snelweg weer. Voor we daar zijn komen we gelukkig langs en panaderia, want het is inmiddels tien uur en goed heet. Valencia ligt maar op 480 meter hoogte. We sterven van de dorst en drinken eerst maar een pak perzikensap leeg, dan een koffie met een pruimenbroodje.
De route over de snelweg bevalt ons niet zo, druk verkeer, dat hard rijdt, en dus gaan we er na enige halsberekende toeren die nodig zijn om rijbanen over te steken, weer van af. met hulp van de GPS, en komen we uiteindelijk op een tweebaansweg die min of meer evenwijdig aan de snelweg loopt. Los Guayos is de eerste plaats waar we komen.
We rijden door naar Guacara, maar passeren eerst een winkelcentrum waar we weer proberen om iets te drinken te kopen. Frank gaat er een schoenwinkel binnen, die door een Libanees gerund wordt, blijkt. Deze man wil wel wisselen tegen een gunstiger koers. Terwijl Frank daar even mee bezig is -je moet altijd uitgebreid praten met zulke lui en je gaat uit elkaar als vrienden, dus ze zullen er wel beter van worden- sta ik buiten bij de fietsen en de taxichauffeurs sturen allerlei mensen op mij af om een praatje te maken. Sommigen willen hun Engels oefenen, schoolmeisjes willen geld, waarvoor is niet duidelijk.
De man van de winkel wil me ook naar binnen hebben, maar ik laat de fietsen niet alleen. Frank komt naar buiten met een kopje koffie, ook een voor mij. We zullen nog maar wat wisselen, dan zijn we er voorlopig even van af. Dan zul je zien dat de koers beter wordt, maar ja.
We rijden door naar Guacara, maar het hotel aldaar ziet er verdacht veel naar uit dat het dezelfde problemen gaat opleveren als dat van gisteren, dus dat doen we niet. We gaan terug (!), zes kilometer maar liefst, naar een hotel met zwembad en restaurant dat we eerder vandaag passeerden.
Twee tegelijk
Knal! We zijn nog geen twee kilometer van het hotel vandaan of ik knal in een gat in de weg. Omdat de weg nogal druk is, rijd ik vlak achter Frank, maar dat was nu niet handig dus. In de schaduw van een boom is een pothole, 10 cm diep, en niet te zien. Frank kan hem net ontwijken maar ik knal er vol in. In een klap neemt het aantal lekke banden deze reis met de helft toe: twee tegelijk(!). We gaan de banden vervangen in de schaduw van een andere boom een eindje van de weg af.
De weg blijft druk, dus het blijft uitkijken geblazen. Net voor Mariara drinken we koffie bij een tankstation en kijken de mannen op afstand belangstellend toe hoe ik Franks haar knip. in de stad gaan we eens kijken bij een van de twee hotels, maar vinden het maar een dunkles Loch.
'Ah, del pais de Van Gogh', zegt de man die een praatje komt maken voor de supermarkt waar we een fles cola soldaat maken. Hij is beeldhouwer en schilder. Een vriend van hem in Caracas heeft een echte Van Gogh in huis, gecertificeerd en al. Nederland is een prettig land, weet hij, de mensen denken er vrij. Als je marihuana wilt roken dan kan dat. Maar de mensen communiceren er niet meer met elkaar, zoals ze dat hier nog wel doen. Ja, ja, denken we. Als in een restaurant mensen aan een tafeltje zitten, of ze nu alleen, met zijn tweeen of zijn drieen zijn, ze zitten altijd allemaal te bellen of iets anders met telefoons te doen. Nooit met elkaar te praten.
We rijden door tot Macaray, ook een grote stad maar veel aardiger dan Valencia. We zoeken wat naar een hotel, keuren er een paar af en eindigen uiteindelijk in Hotel Jardin Park, niet ver van de enorme Plaza Bolivar vandaan.
Badplaats
Gisteravond bedachten we dat we nog tijd hadden om naar het eerste Nationaal Park van Venezuela te fietsen, het Parque Henri Pittier (1937). Henri was een Zwitserse natuurvorser die hier kennelijk wat rondgevorst heeft. We rijden via de Lider, een grote supermarkt zoals je die in Chili ook had, de stad uit. We gaan naar Estacion Biologica op de pas, daar kun je in een dormitorio overnachten, maar er is niets in de buurt om te eten, dus moeten we zelf eten meenemen.
Henri Pittier
De weg omhoog is eindelijk weer eens rustig, we horen vogels en insecten. Het stijgingspercentage valt ook erg mee, minder dan 5% gemiddeld, dus het is aangenaam fietsen vanmorgen. Er is wel wat verkeer, maar op de rijkelijk beschlderde en hard toeterende bussen na, rijdt dat verkeer niet hard. Je mag hier ook maar 30 km/h en je mag geen rotzooi langs de weg gooien. Aan geen van twee verboden houdt men zich evenwel. De rotzooi langs de weg ergert me hier meer dan in Peru en Bolivia. Hier zijn de mensen beter af, beter opgeleid, hebben meer geld en zouden beter moeten weten, denk je dan. Maar nee hoor, langs de hele weg in het park liggen flesjes, glazen en plastic, en zakjes van een en ander.
Ineens zijn we boven. We rijden de zijweg in die leidt naar het hotel dat Gomez, de dictator die Venezuela bestuurde van 1909 tot 1935, hier liet bouwen in 1933. Het gebouw is nooit afgekomen en heeft nooit als hotel gefungeerd.
Hotel Rancho Grande Van Dictator Gomez
Nu is het een vervallen geheel, maar er is toch een biologisch station van de universiteit gevestigd en in een van de bijgebouwen is de dormitorio. Een van de parkwachters/biologen komt achter ons aanlopen en vertelt dat ene Juan en nog wat de posada runt. Maar die Juan roept al van boven af het bijgebouw dat het vandaag niet kan, hier overnachten. Morgen wel en in het weekend wel, maar daar hebben wij niets aan natuurlijk.
We zijn in dubio wat te doen. terug naar Maracay is ook zo zinloos. Fiets je de halve dag omghoog met al je bagage, zou je dan weer terug gaan. Er zijn meer posadas als je doorrijdt naar de kust, vertelt de bioloog. Dus rijden we door. Dan moeten we wel morgen terug naar Maracay, want deze weg loopt dood op de kust. Even zinloos natuurlijk, maar goed.
Koffie Onderweg
Uiteindelijk eindigen we op zeeniveau in El Playon waar we een glimp van de Caraibische zee opvangen. Zoeken naar een hotel is lastig, de meeste zijn te duur. Het is een echte badplaats, waarschijnlijk erg druk in het weekend. Uiteindelijk vinden we een posada die niet vol is, en niet te duur. Je mag er eigenlijk geen bier drinken op de kamer, maar dat doen we toch want buiten zijn te veel muggen.
Palmitos
We zijn vroeg op vandaag want hier op zeeniveau is het erg benauwd, dus hoe eerder we onderweg zijn hoe beter. Het eerste stuk is vlak, daarna doen we de klim in etappes van 100 meter omhoog. Het is hier erg groen en zeer dicht begroeid, dus is er geregeld schaduw op de weg. Toch zijn we binnen de kortste keren kleddernat van het zweet en dat droogt voorlopig ook niet meer op.
Om half een zijn we op de pas en eten er ons laatste broodje. En wat koekjes, want honger van die 1128 meter klimmen hebben we wel. Een eindje verder zien we Maracay liggen en stoppen we om een foto te maken.
Er stopt een auto, de man stapt uit en maakt een eetgebaar. Of we lechona willen. Lechona is wat ze in Colombia papaya noemen. Hij haalt een plastic doos uit de auto en wil dat we alles opeten. Dat plezier doen we hem dan maar. Ondertussen blijft hij maar afgeven op de regering, die niet klopt volgens hem. Maar vreemd genoeg vertelt hij wel trots dat dokters en medicijnen gratis zijn, het onderwijs voor iedereen mogelijk is.
Maar als ik het goed begrijp zijn er gratis scholen van de regering en scholen waar je moet betalen van de oppositie, en die laatste zijn beter. De oppositie plant om Chavez te vermoorden, vertelt hij ook al, net als Pedro. Een ander ding dat de regering voor elkaar gekregen heeft is dat veel benzine-slurpende grote oude auto's vervangen zijn door zuinige kleinere modellen, met subsidie en goedkope benzine, of door auto's op gas. Hij rijdt zelf ook in zo'n auto. Als deze regering dat voor elkaar kreeg en je bent er tevreden over, moet je eigenlijk niet zo tegen zijn. De papaya is op en we rijden verder.
We stoppen weer bij de Lider om een koud pak sap te kopen. Bij de kassa hier in Venezuela vragen ze altijd naar het nummer van je mobieltje en als ik dan zeg dat ik er geen heb, kijken ze je aan of je van een andere planeet komt. Soms ontstaat er enorme consternatie want de kassa kan niets afrekenen zonder mobiel nummer. Dan geeft de klant achter me het hare, of het kassameisje typt ten einde raad maar iets in. Hier gebeurt dat laatste.
Als we dat sap buiten in de schaduw op de grond zitten op te drinken, komen er twee mannen naar ons toe en geven ons een heel pak palmito's, een soort heel zoete koekjes, en een hand. Later komen ze terug met hun cellphone en gaan foto's van ons maken. Dat brengt meer mensen op dat idee em binnen de kortste keren staan er twee kapsters en een securityman bij, ook met hun cellphones. Frank maakt een foto van de fotografen, ook leuk.
De Fotografen Gefotografeerd
Eenmaal in de stad rijden we snel naar het hotel waar we twee dagen geleden ook al waren. Ze herkennen ons nog en we hoeven niet eens onze naam te spellen deze keer. Blij met de airco, de douche en later het ijskoude bier, want het was zeer benauwd en warm vandaag.
Inmiddels hebben nog maar 6 van de 27 inzenders op onze prijsvraag meer kilometers opgegeven dan we in werkelijkheid tot nu toe gefietst hebben. En nog steeds zijn we er niet.
Goudsmederij
Maracay uit is minder vervelend dan de weg uit Valencia. We gaan weliswaar ook over een snelweg het eerste stuk, maar het is allemaal wat minder chaotisch. Na 15 kilometer kunnen we van de snelweg af, een secundaire weg in die via San Mateo naar La Victoria voert. Net na San Mateo is een museum waar we bij de ingang onder een boom koffie drinken. Dan is het nog maar een klein stukje naar La Victoria. Morgen moeten we flink omhoog, het heeft geen zin om daar vandaag al een stuk van te doen, want dan eindigen we nergens.
Nu staan we eerst bij het eerste hotel in de stad te delibreren wat te doen. Ik zag op de prijslijst dat het aan de dure kant is dit hotel. Een man komt een praatje maken. Hij legt ons uit dat we morgen eerst 15 kilometer min of meer vlak voor de boeg hebben. Dan krijgen we in 12 kilometer een klim van 1300 meter te verwerken, en daarna mogen we weer afdalen naar Colonia Tovar. Dat is hard werken dus morgen. Er is morgen ook een georganiseerde wandeltocht van de voet van de berg naar Colonia Tovar. En verder waarschuwt hij ons voor het laatste stuk van de afdaling naar Catia La Mar, dat is een gevaarlijk stuk, waar veel arme mensen wonen. De man heeft iets met het hotel te maken, want hij krijgt iets van de prijs af voor ons, maar niet genoeg vinden we.
We gaan de stad in, maar vinden de hotels daar het geld niet waard. Ze zijn weliswaar iets goedkoper dan het eerste hotel waar we stopten, maar ook veel minder qua voorzieningen. We proberen maar weer eens geld te wisselen, wat alleen zou lukken tegen een slechte koers, dus dat doen we niet. We hebben nog wel wat, en in Colonia Tovar zou je ook met dollars kunnen betalen, vertelde iemand ons. We gaan terug naar het eerste hotel. Daar ontstaat nog enige discussie over de gereduceerde prijs, die ineens niet meer zou gelden, maar dat lost zich gelukkig op.
Later zitten we ineens in een goudsmederij. Een paar mannen zijn er aan het werk. Eentje maakt een gouden ketting na van een plaatje uit een reclamefolder. We raakten hier verzeild toen we, zoals gewoonlijk, een horlogezaak binnenstapten en vroegen waar we geld konden wisselen. De man nam ons mee naar deze goudsmederij, een hoog achteraf op een galerij. Het hek gaat achter ons op slot. De baas van de zaak test eerst of onze dollars wel echt zijn. Een voor een bevoelt hij ze en als ze goed bevonden zijn, geeft hij ze Frank terug en vertrekt naar de bank om te pinnen. 'Net de Chinese maffia', zegt hij lachend, als Frank en hij gelijk oversteken met het respectievelijke geld.
Hij komt uit Ecuador en als we vertellen dat we daar ook waren wordt hij enthousiast. 'Quito is een mooie stad, schoon en zuiver', zegt hij, 'veel schoner dan hier'. Maar ja, hier is het beter zaken doen, meer mensen en meer geld. Intussen heeft een andere man een gouden armband kleiner of groter gemaakt, weer keurig gepolijst en gepoetst en voor 50 Bolivares is de mevrouw die ook met ons achter het hek werd opgesloten er weer blij mee. Wij worden, ook blij met onze Bolivares, eveneens door het hek naar buiten gelaten.
Venezuela betekent Klein Veneti, leren we vandaag. Ik had me al afgevraagd waar die naam vandaan kwam, en Frank suggereerde toen dat het vast met de naam van een persoon zou samenhangen. Niet dus. Toen Columbus, of een van zijn kapiteins, in 1499 bij het meer van Maracaibo aankwam, troffen ze daar huizen op palen in het water aan. Net Veneti dus.
Vakwerk
Het klopt, de eerste 12 kilometer zijn redelijk vlak als we La Victoria eenmaal uit zijn. De weg is rustig, zeker vergeleken met de snelweg van gisteren. Toch komt er naarmate de dag vordert meer verkeer, dagjesmensen die naar La Colonia gaan vermoeden we. In Pie de Cerro, op bijna 800 meter hoogte, waar ook de caminata begon, begint voor ons de echte klim. Halen we imiddels de 10% hellingen wel met onze hoeveelheid bagage -in Chili lukte dat niet- bij 12% laat staan 14% moeten we toch echt passen. Het begint op een ongeorganiseerde caminata te lijken. Dat wordt sleuren, duwen en trekken vandaag. Als we zo 150 meter omhoog geklauterd hebben, drinken we koffie in de berm en eten er de laatste palmitos bij op.
Daarna kunnen we zowaar een stukje fietsen, maar als we op 1150 meter aan de linkerkant van de weg in de buitenbocht weer omhoog lopen stopt er een jeep. De jongen vraagt of we mee willen rijden, want het wordt nog veel lastiger. Voordat Frank op een ander idee komt, zeg ik snel ja. We maken de fietsen vast op het dak, proppen de tassen achterin bij de parapente (dat gaan ze doen vandaag, de jongen en het meisje uit Caracas), ik ga achterin zitten, Frank voor op de passagiersstoel en het meisje hangt buiten op de treeplank. Een eindje verder stoppen we bij een van de vertrekpunten van de parapente. Het weer is nog niet goed genoeg. Ze begroeten er allerlei mensen, we lopen er wat rond en dan rijden we verder omhoog. Nu zitten Frank en ik samen voorin, Ariane, zo heet ze, valt achterin de auto meteen in slaap. Onbegrijpelijk bij al dat geslinger.
Jeep Met Fietsen Erop
De jongen is het niet zo eens met de regering. Jet hebt hier mensen die het er erg mee ens zijn, zoals Pedro, of erg tegen zijn. De regering verkoopt de olie, geven het geld aan de mensen cadeau, en als die olie op is, heeft niemand geleerd om te werken. Is er geen cultuur van werken ontstaan, maar een van alleen maar bier drinken. In de bergen van sa Christobal naar Meriad naa Barquisimeto, daar wordt gewerkt, aan de kust niet. Als hij klaar is met zijn opleiding tot architect gaat hij net als bijna heel zijn familie, naar Europa.
Uiteindelijk komen we in de wolken uit op 2200 meter hoogte en de weg ernaartoe was zo steil dat we dat nooit gehaald zouden hebben, ook lopend niet. Over de berg zien we Colonia Tovar al liggen. Het is een door Duitsers van de Kaiserstuhl in 1843 gestichte kolonie en al is dat bijna tweehonderd jaar geleden, het ziet er allemaal nog heel erg Duits uit. Vakwerk huizen, overal Duitse namen, Hotel Bergland, Edelweiss en ga zo maar door. Midden in het dorp zetten we ons af en we parkeren de fietsen bij een estacinomiento en gaan op zoek naar onderdak. Het is hier erg toeristisch, Valkenburg is er niets bij. We vinden een kamer bij Cabanas Humboldt, de goedkoopste, zonder uitzicht, maar duur genoeg. Hoewel, ongeveer even duur als gisteren en veel beter. Het hele dorp, of stad, wat is het, ziet er veel opgeruimder en schoner uit dan de rest van Venezuela. En compleet met Lederhosen, Biergarten en Schaukelmusik. Om vast te wennen aan Europa, tenslotte landen we eerst in Frankfurt.
Groeten,
Frank en Marianne
--------------------------------
Listo
Gisterenavond aten we Bratwurst mit Sauerkraut und Salzkartoffeln. Hopend op ook een Duits ontbijt gaan we zondagmorgen op zoek naar een restaurant dat al open is, maar dat valt tegen. Ze gaan pas om negen uur open. Uiteindelijk vinden we er een dat wel open is en bestellen er ontbijt, met brood niet met arepas. Als we de koffie al op hebben, vertellen ze dat er geen brood is, en daar was het nu helemaal om begonnen. We betalen de koffie en proberen het bij een ander, die inmiddels ook open is en brood heeft. Maar het valt tegen, het is wel steviger brood dan ze hier bakken, maar echt Duits, laat staan donker is het niet.
Duits Brot Bij Een Spaansebakker
Voor we naar de kust afdalen moeten we eerst nog een eindje omhoog, tot bijna 2100 meter hoogte, maar gelukkig niet meer zo gruwelijk steil als gisteren. Op twee kleine stukje na kunnen we alles fietsen. De afdaling voert ons door de wolken, daar is het fris, maar hoe meer we de kust naderen, hoe warmer het wordt.
Colonia Tovar Vanaf 2000m
Op 1300 meter hoogte moeten de remblokjes achter op mijn fiets nog vervangen worden. Er zaten sinds Bogota goedkope remblokjes uit Bariloche op, de goede uit Nederland waren op toen, maar die houden het niet lang blijkt. Nu zet Franks er nog goedkopere uit Cucuta op. Daar staat weliswaar Shimano op, maar gezien de prijs zal dat wel niet zo zijn. Ze houden het hopelijk. Het stuk dat volgens de man in La Victoria gevaarlijk zou zijn, wekt bij ons niet die indruk. Gelukkig maar.
Colonia Tovar
Uiteindelijk eindigen we op zeeniveau, waar we ook begonnen in the uttermost place of the earth, Ushuaia. Listo! We zijn helemaal klaar met de Andes, en hebben de grootst mogelijk afstand door de Andes afgelegd. Farthest north ook. Het vliegveld ligt weer iets ten zuiden van hier, dus waar we nu zitten is meteen het meest noordelijke punt van Zuid-Amerika dat we bereiken. Het verhaal is rond.
Door De Wolken Naar De Kust
Resten ons nog twee dagen om de boel te organiseren, spullen weg te geven of te gooien, de boel in te pakken en te zorgen dat we op tijd bij het vliegveld zijn.
Tot snel,
Frank en Marianne