---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
80 km na Calingasta op wegnr. 149, 1 maart
De eerste 45 km zijn een voortzetting van de etappe van gisteren, verhard en heel langzaam bergaf. We zijn dan ook al met koffietijd bij de politiepost, een klein keetje op wielen waar twee honden rondscharrelen. Er stoppen twee vrachtwagens, een met spullen, een zootje ongeregeld, matrassen en fietswielen zien we, en een met allemaal mensen achterin de bak die een fietshelm op hebben. Een raar gezicht is dat. De fietsen worden tussen de matrassen uit gehaald, de voorwielen erin gestoken en de mannen trekken hun fietskleren aan. De twee oudsten willen met mij op de foto. Het is de fietsclub uit Calingasta waar we gisteren waren. Ze hebben hun jaarlijks uitstapje naar San Juan achter de rug en fietsen nu de laatste 45 km weer terug. Dat wij omhoog gaan vinden ze maar niks, het is daar koud en er is niks.
Fietsclub Calingasta
Frank vraagt de politieman nog of hij de thermosfles kan vullen met drinkwater en hij krijgt ook nog een flesje van een halve liter mineraalwater mee. Dan zijn we klaar voor de klim. Die valt niet mee. het is heet, het waait hard en ik maak me zorgen of we wel genoeg water hebben. Mijn oren zitten dicht, de verkoudheid is er nog niet helemaal uit kennelijk. Uiteindelijk stijgen we tot 2200 meter over een afstand van 25 km. We dalen een klein stukje maar voor een nieuwe klim heb ik het wel gehad voor vandaag.
Diffunta Correa
We zetten de tent op, 5 meter van de weg op een zanderig stukje, op een andere plek kregen we haringen niet de grond in. Water hebben we niet meer gevonden vandaag, behalve bij de diffunta correa waar we lunchten. Gelukkig hebben we wel zeven blikjes bier en een liter wijn. Hoe het morgen verder moet, zien we dan wel weer. s nachts passeert er meer verkeer dan overdag, maar we slapen er toch doorheen.
Lunch Bij Diffunta Correa
San Juan 2 maart
San Juan? Dat komt op geen enkele planning voor en er is eigenlijk ook niet zoveel dat een bezoek aan die stad rechtvaardigt. Waarom we er dan toch zijn? Verslagen door de elementen: het is gewoon te droog en te warm, er is helemaal niets langs de weg, geen huizen, geen rivier, geen bomen, alleen bergen en rotsen. Dus toen we bij de rotonde kwamen, waar we linksaf naar Las Flores zouden gaan, gingen we toch maar rechtsaf.
Na 10 km zijn er thermas vertelde een man die op een brommer naar de diffunta correa kwam om er gebedsprentjes of koekjes neer te leggen. Daar is water en zijn mensen, zei hij. Ik vond vanmorgen nog een flesje water in mijn fietstas, maar heel veel hebben we niet meer. Dus moeten we wel richting San Juan. De Thermas de Talagasto stellen niets voor, oude vervallen gebouwen, waar het stinkt en twee blaffende honden het enige teken van leven zijn. Maar geen nood, 12 km verder is Talagasto, dat halen we nog met het restje water dat we hebben.
We dalen de hele morgen al heel spectaculair tussen de bergen door, door een droge gorge. Het schiet lekker op zo. maar dat duurt niet. Talagasto is niet meer dan drie huizen, vervallen en verlaten, geen water te krijgen. We drinken er thee bij een diffunte correa, waar naast de gebruikelijke flessen water nu ook een gitaar is achtergelaten.
Weer gaan we door, terug heeft geen zin. Nu zijn we weer op de ruta 40, die we in het zuiden, en voor Malargue ook al reden. We gaan terug naar het zuiden, dat wil zeggen dat we tegenwind hebben. Over 19 km is er Matagusanos, wat dat is weten we niet , maar wellicht is er water. Met een keer stoppen onder een boom bereiken we dat, maar veel is het weer niet: alleen een soort grote schuur, maar er lopen wel twee mannen rond. Een ervan roepen we naar het hek dat dicht is, en dat hij ook niet open maakt. We vragen of hij drinkwater heeft, dat heeft hij en hij vult onze bidons bij. Hij vertelt ook nog dat we een klein stukje omhoog moeten, tot daar, en hij wijst naar een bergkam, en daarna is het bergaf tot het eerste dorp voor San Juan, 28 km verder.
We stijgen nog een meter of 200, met enige moeite, eten een sinasappel (voor brood is het veel te warm, dat krijgen we niet weg) en dalen dan tot een tankstation waar we in no time een 2l-fles cola soldaat maken. Daarna nog 11 km door een warme vallei, met als enige lichtpuntje dat er nu wel bomen zijn. Niet dat we in de schaduw rijden, dat niet, maar het uitzicht op bomen doet koelte vermoeden. Na 95 m zijn we in San Juan, waar we onder het inmiddels bekende motto een kamer boeken in een hotel met airconditioning. Voor twee dagen, want we moeten morgen eens goed uitzoeken hoe we hier weer wegkomen, bij voorkeur niet met de fiets. En of we nu nog over de Paso Agua Negra in Chile kunnen komen, weten we ook niet. Wordt vervolgd.
Groeten, Marianne en Frank
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------San Juan 3 maart
De was in het hotel is veel te duur, dus gaan we zelf op zoek naar een lavanderia en vinden die voor een fractie van de prijs die het hotel rekent. In het busstation regelen we een ticket naar Rodeo voor morgen en daarvandaan gaan we bekijken of we alsnog de Paso Agua Negra omhoog kunnen. In vijf dagen omhoog, twee omlaag, moet het te doen zijn, mits er water te vinden is. Dat kunnen we hiervandaan niet duidelijk krijgen, dus morgen zien we verder. Als we zitten te lunchen komen er twee fietsers langs die we even later bij het internetcafe op de hoek aanspreken. Het zijn Duitsers, al zeven maanden onderweg vanuit Duitsland, en vanaf 1 december vanuit Ushuaia hier aan het fietsen. We spreken af om in ons hotel koffie te drinken over een half uur. We brengen een gezellig uurtje met ze door, wisselen allerlei verhalen uit en proberen elkaar in het noorden weer te ontmoeten. Via email zullen we contact houden.San Juan - Rodeo, 4 maart
We pakken de spullen in en laten alles in het hotel achter om een kopje koffie te gaan drinken bj de Plaza. Gisterenavond heeft het behoorlijk geonweerd, maar nu schijnt de zon weer al zijn er her en der wat wolken te zien. De bus gaat pas om drie uur, dus we lopen wat verveeld rond en gaan dan maar weer terug naar het hotel, kijken een beetje op internet naar het weer en zo, en wachten tot het tijd is om naar de busterminal te gaan. Tot onze verrassing moeten we toch overstappen in San Jose de Jachal, maar dat gaat allemaal soepel. De weg naar Rodeo daarvandaan is spectaculair, dwars door de bergen over een weg die tegen de berg aangeplat lijkt te zijn. We moeten deze weg zeven jaar geleden ook gefietst hebben maar we kunnen er ons niets van herinneren. Het is goed dat er nauwelijks verkeer uit de andere richting komt. In Rodeo is om zeven uur zowaar de Turismo nog open en die verwijst ons naar Dona Elena, waar we die nacht verblijven, Er zijn, zoals te doen gebruikelijk in Argentinie en Chili, veel wegwerkers in het hotel. We eten er ook maar.Las Flores 5 maart
Na het onbijt gaan we op zoek naar een supermarkt war we eten voor een dag of zeven kunnen inslaan. In twee etappes lukt dat redelijk, althans we hopen dat het genoeg is. Een uur of wat later liggen we in het zwembad van de Termas de Pismanta. Hier waren we zeven jaar geleden ook al eens, toen was het druk, het was zondag en vakantietijd, nu is er niemand.
Termas PismantaGuardia Vieja 6 maart
De mannen in de cabana naast ons werken bij de douane. Ze hebben zes dagen dienst en zes dagen vrij en dan kunnen ze naar huis in San Juan. De man die nu geen dienst heeft vertelt dat er negen auto s per dag de pas op gaan in deze tijd van het jaar. We rijden tegen negen uur naar de douane (2 km na Las Flores) waar ze met vijf man ons uitstempelen en vragen hoe lang we erover denken te doen tot de Chileense douane. Wel vier dagen denken we. Onderweg worden we voor de zoveelste keer door onbekenden op de foto gezet. Over de hele wereld moeten nu toch onder hand honderden mensen foto s hebben van ons op de fiets in omstandigheden waarvan zij denken dat het niet mogelijk is om te fietsen. Maar het gaat best, 3% omhoog, geasfalteerd en het weer is goed. Veel vroeger dan verwacht zijn we bij de guardia vieja waar we de tent niet eens op hoeven zetten. Een van de oudere mannen wijst ons het voorportaal van het radiostation aan het gekraak te horen. Er is een douche en die mogen we gebruiken. Er hangt nog wel een onderbroek van een gendarme in, maar och, erg kritisch kunnen we hier niet zijn,La Arenal 3700m, 7 maart
Als we opstaan, een tijdje na dat de wekker afliep, is het bewolkt. dat ziet er minder goed uit. Maar na het ontbijt verzekeren de oudste en jongste gendarme ons dat het niet gaat regenen. We gokken het erop en gaan omhoog. Fris is het wel maar al fietsend zweten we toch flink.
IJs Op Tent Op 3775mLos Corrales 4225 m, 8 maart
Het is koud geweest vannacht, de tent zit dik onder het ijs en we moeten wachten tot alles ontdooid is en wijzelf opgewarmd zijn voor we kunnen gaan fietsen. Dat lukt pas om half elf. Vandaag gaan we ongeveer 500 meter omhoog is het plan. Het eerste stuk nog langs het riviertje waar we naast kampeerden vannacht is relatief gemakkelijk, het stijgingspercentage is 2 of 3 % maar toch beginnen we de hoogte goed te merken. Om de 60 meter klimmen moeten we stoppen om op adem te komen. Bij de afslag naar het boorproject voor de tunnel drinken we koffie achter een muurtje gestapeld van stenen. Het is een soort corraal waar vee in verzameld wordt, of althans de resten daarvan.
Koffie Drinken Op 4100m
Kamperen Op 4275mArroyo sin nombre 4055m, 9 maart
Drie keer moet ik eruit s nachts, de eerste keer is het mistig, hangen de wolken laag, de twee andere keren schijnt de maan. Nog zie ik de mooie sterrenhemel niet. We staan inderdaad niet veel eerder op dan gisteren, om kwart over acht wat dus wil zeggen dat we dertien uur in bed lagen. En af en toe sliepen we, dat wel. Ook nu zit de tent onder het ijs, maar de zon is er hier iets eerder dus zijn we ook iets eerder weg, na een bakje havermoutse pap. Normaal griezel ik daarvan, maar nu eten we het gewoon. Ik had een potje honing gekocht om daardoor te doen, maar die is natuurlijk s morgen nog niet met een pikhouweel uit dat potje te krijgen. Dan maar jam erdoorheen. Twee koppen thee erachteraan, alles inpakken en wegwezen.
Sneeuwveld Net Onder De Top
Fiets En Gabriela Mistral Op De Top
Top Op 4779m Bereikt!
Uitzicht Op Argentijnse Kant
Kampeerplek Op 4055mLa Junta, douane 2190 m, 10 maart
Het is -3 graden in de tent om acht uur. Deze keer staan we nog gunstiger en komt de zon al bij het eerste kopje thee over de berg heen. Toch is het al tien uur als we gaan dalen. Het is schitterend, zoveel foto s als vandaag maakten we nog nooit op een dag (ca. 150!). De kleuren van de bergen zijn prachtig, veel mooier nog dan in Landmannerlaugar op IJsland. De weg is wat minder goed dan aan de Argentijnse kant, veel calamina (wasbord). Er is nog steeds weinig verkeer.
Ruiter Op Zoek Naar Geiten
Uitzicht Chileense KantVicuna 610 m, 11 maart
p> Om acht uur staan we op en drinken een kopje thee en eten er verkruimeld brood bij met de kaas die op moet voor de SAG-man hem alsnog confiskeert. We praten een poosje met Ron. s Winters is de grens dicht, alleen de carabinieros zijn er dan wel altijd en hij komt twee keer per maand controleren of alles ok is. Het gebouw is zo goed geisoleerd dat als het buiten min acht graden is, binnen nog steeds plus 13 of 14. De wanden bevatten iets dat de warmte lang vasthoudt begrijp ik. We bedanken Ron voor de gastvrijheid, laten hem nog even de GPS zien en fietsen dan weer tegen tien uur weg, naar beneden.--------------------------------------------------------------------------------------------------
Donderdag 12 maart, Vicuna
Vandaag hebben we vrij en hoeven we niet te fietsen. We plannen om naar de Pisco-fabriek te gaan en er een rondleiding mee te maken, maar helaas, die zijn alleen van dec t/m februari. Pisco is een typisch Chileens aperatief, dat voornamelijk met veel citroen, suiker en zout gedronken wordt en dan Pisco Sour heet. Heel verraderlijk want je merkt niet dat er zoveel alcohol in zit.Vrijdag 13 maart, La Serena
Vandaag fietsen we weer verder omlaag tot La Serena, een grote stad aan de kust van de Pacifico. Als we Vicuna verlaten is het nog warm, gaandeweg zakt de temperatuur en nemen de wolken toe. Halverwege gaan we even van de weg af en rijden door El Molle, een klein aardig plaatsje waar Gabriela Mistral ook een poos woonde. Er klinkt een bel als van een ijscoman, maar dat is de man die de gasflessen verkoopt. daar heb ik me al eens eerder op verkeken, of beter gezegd verhoord.Zaterdag 14 maart, La Serena
We kochten gisteren toen we de stad binnenkwamen eerst de Chileense toeristengids voor het noorden en beginnen vandaag met te kijken hoe we verder gaan. We besluiten de bus te nemen tot Copiapo, want als we dat stuk zouden fietsen zou dat alleen over de PanAmericana kunnen en daar zijn we geen fan van, al is die hier veel rustiger dan in het zuiden.Zondag 15 maart, Copiapo
Frank heeft gisteren een minicomputertje gekocht, hij wil zijn eigen verbinding met internet hebben. Het is een windows-ding en vanmorgen constateerde ik dat de tijd verkeerd stond. Ik verander die dus. Maar hoe dom kun je zijn. Als we na het ontbijt door de stad naar het busstation rijden is het erg stil op straat, ook voor de zondagmorgen. Het was ook al zo gek dat het ontbijt nog niet klaar stond. Waar komen we achter op het busstation? Juist ja, dat ze de wintertijd hebben ingevoerd, midden in de maand, terwijl wij dachten dat het net als in Nederland aan het einde van de maand zou gebeuren. Enfin zo moeten we bij het busstation twee uur in plaats van een wachten eer de bus komt.Maandag 16 maart, Caldera
Vanuit Copiapo (dat groene vallei betekent) fietsen we naar de kust door inderdaad in eerste instantie een groene vallei. Frank zei vanmorgen tijdens het ontbijt: we gaan vandaag over een fietspad tot de kust. Ja, ja , zei ik, met knooppunten zeker. Ja, zei hij weer, twee: een in Copiapo en een in Caldera. Als we de stad uitrijden is er inderdaad een fietspad, en misschien wel het langste van Chili. 12 km lang fietsen we over een fietspad langs de ruta 5, de PanAmericana. Daarna moeten we eraan geloven.
Koffie in bushokje op weg naar Caldera
Toch op de gevreesde PanAmericana.
Nadat we in 1997 in het zuiden op die weg gefietst hebben, hebben we,
ondanks het feit dat we dat erg bejaard vinden uitzien, een
achteruitkijkspiegel aangeschaft. Ach, en tegenwoordig vallen we bijna
in die categorie, dus maken we ons niet druk meer erover. (De man achter
de kassa bij het museum van Gabriela Mistral wilde ons al een kaartje
voor de helft van de prijs aanbieden, maar in tegenstelling met toen ik
zeventwintig was en het prachtig vond op een kinderkaartje het zwembad
in Utrecht in te kunnen, zeggen we nu toch heel verontwaardigd: Zo oud zijn we niet!)
De PanAmericana valt mee. Echt druk is hier niet meer, en met het
spiegeltje kunnen we in de gaten houden wanneer er van twee kanten
verkeer aan komt en we echt de vluchtstrook op moeten vluchten, of
wanneer er een bus aankomt. Bussen zijn niet zo considerant als de rest
van het verkeer namelijk. We fietsen langs de oudste spoorlijn van
Chili, die in 1851 is aangelegd van Copiapo naar Caldera, om de ertsen
uit de mijnen rond Copiapo die begin van de negentiende eeuw ontdekt
werden, te vervoeren naar de haven van Caldera. Op het langste fietspad
van Chili langs de oudste spoorlijn, het heeft wel wat.
Het eerste stuk voert ons nog door de groene vallei van Copiapo, maar
als we een heuvel op moeten is het afgelopen met uitzicht op groen. We
zien alleen nog maar zandduinen. Koffie drinken we in een bushokje, dat
aanmerkelijk minder luxe is dan die in Patagonie, en voor de lunch slaan
we even af naar het gloednieuwe vliegveld Desierto de Atacama.
Daar zijn we een bezienswaardigheid, want tussen 9 uur s morgens en 7
uur s avonds landt er geen vliegtuig en vertrekt er ook geen, want we
zien er niet een staan, en dus hebben alle mensen die er werken
voldoende tijd om ons gade te slaan als wij een (zelf meegebracht, dus
ze verdienen ook nog niks aan ons) broodje met kaas en een appel eten.
Daarna is het nog 25 km tot we in Caldera zijn. Het is heel wonderlijk
om door een stuk woestijn, want dat was het laatste stuk vandaag, ineens
een plaats met bomen te bereiken.
De scholen zijn al weer twee weken bezig en dat wil zeggen dat er aan
het einde van de middag kinderen in uniformen rondlopen. Frank vindt dat
Angelsaksiche model wel mooi: iedereen is gelijk (alleen met schoenen
kunnen ze zich onderscheiden) en niemand loopt er verslonst bij.
Vier Sanctuarios op weg naar Caldera
Morgen wordt het vast een stuk lastiger. Vandaag gingen we (gratis)
omlaag. Gratis omdat we gisteren door de bus 400 meter omhoog vervoerd
zijn, we moesten er wel voor betalen natuurlijk, maar niet voor te
klimmen. Morgen gaan we langs de kust, maar meestal is dat erg
verraderlijk, veel klimmen en dalen. We zullen zien. Vamos a ver.
Dinsdag 17 maart, Chanaral
Vandaag hebben we de hele dag de Pacifico links van ons en het kustgebergte rechts. Het is inderdaad lastiger dan gisteren, we moeten omhoog en omlaag en de woestijn knabbelt aan de vluchtstrook, zodat we die niet altijd in die functie kunnen gebruiken. Sinds we vorige week vrijdag naar La Serena fietsten is het s morgens bewolkt, tot een uur of twee dan jaagt de zon de wolken weg. Maar vandaag lukt dat niet helemaal. Er blijven donkere wolken tegen de berg aangeplakt en de zon komt er pas door als we de 96 km er bijna op hebben zitten.
Zeehonden
We verwachten dat Chanaral groter is dan Caldera, maar dat is niet zo.
Armoediger is het, en het kost moeite onderdak te vinden. Dat vinden we
uiteindelijk wel maar jammer is dat het enige hotel dat er een beetje
uitzag, vol was, Althans dat zei de dame die me deur opendeed.
Maar het zou niet voor eerst zijn dat ze ons weigeren omdat we er zo
verhit uitzien en misschien wel niet lekker ruiken of zo. Enfin, verwend
als we zijn door het goede hotel in Vicuna, is het wel goed om weer aan
een wat lagere standaard te wennen.
In ons hotel zijn twee Argentijnen uit Salta de ons van allerlei nuttige
informatie voorzien. De weg door het Parque Nacional is goed, en de weg
van Taltal naar Antofagasto is veel meer geasfalteerd dan de kaart aangeeft.
Woensdag 18 maart, PN pan de Azucar
Ook vandaag hebben we de Pacifico op links. we rijden nu echt de leegte in. De weg is een met zout gestabiliseerde weg en dus goed te berijden. We hoeven ook niet zo ver vandaag, ongeveer 28 km.
Zoutweg Pan De Azucar
Onderweg zijn er, net
als gisteren weer diverse Sanctuarios, bij die van San Expedito stoppen
we even. Er staat een bosje verse anjers in een blikje zonder water en
ik krijg de neiging om er water uit mijn bidon in te doen, maar omdat we
geen idee hebben over de watervoorziening onderweg doe ik het toch maar
niet. Je zou eens zelf sterven de dorst om een bosje anjers een dag
langer te laten staan.
Maar wie is San Expedito nu eigenlijk? Hij zier er net als San Sebastian
uit als een Romeinse soldaat en zijn naamdag is 19 april, al schijn je
hem ook elke 19e van elke maand te kunnen herdenken. Hij was bevelhebber
van het romeinse leger in Armenie, vind ik op internet.
Daar is hij ook tot martelaar verheven. Erg veel is er niet over hem
bekend, begrijp ik. Hij wordt afgebeeld met een bordje in zijn handen
waar 'vandaag' of 'morgen' in het latijn op staat. Het is een handige
heilige om acute problemen op te lossen, zo in de trant van 'Beste san
Expedito, stuur alsjeblieft een loodgieter want het huis staat onder
water.'
Sanctuario San Expedito
Het is weer schitterend, heel anders dan alles wat we tot nu toe
meemaakten, veel wit zand, pastelkleurige bergen op afstand, de Pacifico
op links met de witte branding mooi afgetekend in de azuurblauwe zee. Op
een van die strandjes zitten honderden, misschien wel duizenden vogels
aan de rand van de oceaan. Als ze ons opmerken, terwijl we toch op bijna
200 meter van ze vandaan zijn, vliegen ze met zijn allen weg. een mooi
gezicht. We waren te ver weg om te zien welke vogels het waren, ik denk
cormorants, maar misschien waren het ook wel pelicanen.
Pelikanen op rots bij Paposo
Bij de ingang van het park drinken we een kopje thee, Als we een uur
later bij de Guardia Parque zijn heeft die net middagpauze en eten we
eerst een broodje. Daarna is er nog niemand en gaan we naar de camping,
een van de vier, en zetten onder een rieten dakje de tent op.
De haringen krijgen we niet de grond in dus met stenen en de
scheerlijnen aan de palen van het dak moeten we het redden.
Onze buren zijn Duitsers met zo'n vrachtwagen, verder is er iemand te
zien. mooi rustig. Er is wel een douche, mooi zo. De Gardia Parque weet
later op de middag te vertellen dat de weg naar het noorden net zo goed
is als vandaag en dat er tussen Chanaral en Taltal een Copec service
station is waar we vast water kunnen krijgen en mischien wel kunnen
kamperen. We zullen het allemaal wel zien morgen.
Ineens staat het Duitse mannetje, het zoontje van de buren die heel
verlegen was, toch bij onze tent. 'Heb je al gegeten,' vraagt Frank.
Wij hebben onze rijst met tonijn al op, het is bijna donker. 'Nee,'
zegt hij, 'maar mijn moeder kan heel snel koken'. Ze hebben diverse
lampen bij zich, wij niet en liggen dus als het donker is in bed.
Kamperen Pan De Azucar
Donderdag 19 maart, Taltal
De zon schijnt al de tent in als we om kwart over zeven opstaan. Dat is
wel weer een voordeel van die wintertijd. Om kwart voor negen zijn we
vertrekklaar. De weg is inderdaad goed, en we stabiliseren het nog wat
meer door er af en toe zoute zweetdruppels op te laten vallen. Het is
warm en we hebben wind mee. De weg gaat geleidelijk aan omhoog, maar
nergens meer dan 2%. Onderweg maken we weer de nodige foto s, mooi is
dat zo'n woestijn.
Na 30 km zijn we bij de ruta 5. Er is een posada (een soort
chauffeurscafe) en daar drinken we eerst maar eens een literfles cola
leeg. Daar is het weer wel naar, koffie trekt ons niet zo in deze hitte.
De madam vertelt dat er veel fietsers langs komen, Canadezen, Duitsers,
Japanners. Die laatsten hebben we hier nog niet gezien. Om die fietsers
te herbergen heeft ze kamers ingericht en een douche aangelegd. Voor ons
is dat nog te vroeg, het is nog geen twaalf uur.
We zien wel wat we onderweg nog tegenkomen. We hebben water voldoende
bij ons om te kamperen. Negen liter extra. We fietsen door de droogste
woestijn ter wereld tenslotte.
De ruta 5 gaat verder omhoog, eerst naar 800 meter, dan omlaag naar 600,
weer omhoog tot 900, weer omlaag tot 700, en dan nog een keer omhoog tot
850 meter. Er rijden voornamelijk vrachtwagens die ons met een ruime
bocht inhalen. Het eerste stuk is de vluchtstrook ook prima en kunnen we
daarop verder als er verkeer aan komt, maar zodra we de tweede region
binnen gaan is de vluchtstrook weer aangevreten door de woestijn. Niks
knabbelen hier, echt aangevreten van twee kanten, dus je moet door een
gleuf wil je erop komen.
Na de lunch, die toch niet slecht was -kopje thee met broodje met
sardientjes-- haalt een bus ons in en tien meter voor mij en tien meter
voor Frank die zo n twintig meter voor mij fietst blijft een keurig
ingepakt broodje met salami en kaas liggen. Zo hongerig moeten we er
toch niet uitgezien hebben.
Nergens is een boompje of een struikje te zien, zelfs geen rotsblok dat
geschikt is om de tent achter te zetten. Van een Copec servicestation is
geen sprake. Er staan twee mijnen op de kaart, maar die liggen te ver
van de weg af en bovendien trekt de ripioweg ernaar, die wel erg stoffig
is, helemaal niet. Dus rijden we door tot er weer een posada is, maar de
ene is dicht, de volgende ook, en de laatste van de drie biedt geen
onderdak. 'Maar' zegt het meisje, 'bij de afslag is er een die dat wel
doet'. Met moeite komen we daar want het is weer omhoog, maar ook die
heeft geen alojamiento. 'Abajo en Taltal, si'. Het is nog 22 km, alleen
maar omlaag. We gooien er nog maar eens anderhalve liter cola tegenaan
en wagen het erop dat we het halen voor het donker. Dat lukt, al is het
inmiddels wel koud. we vinden een mooi hotel en eten later uitgebreid in
een een restaurant. Dat smaakt wel na 118 km, de langste etappe tot nu toe.
Groeten, Frank en Marianne
------------------------------------------------------------------------------
20 maart
Nadat de wintertijd vorig weekend is ingegaan, is vandaag ook de herfst officieel begonnen. We zijn al bijna vijf maanden onderweg, het nieuwe jaar is al weer bijna drie maanden oud. We nemen aan dat jullie allemaal een nieuwe agenda voor 2009 hebben (wij niet trouwens), maar het zou leuk zijn als jullie de avond van 31 oktober vast vrijhouden. Nadere mededelingen volgen tzt.
Groeten F+M
-----------------------------------------------------------------------------
Vrijdag 20 maart, Taltal
Taltal is een aardige plaats, heel schoon, veel mooie oude houten gebouwen, een mooie costanera (boulevard). Nadat de fietsen hun maandelijkse beurt gehad hebben lopen we wat door de stad, kijken wat rond en eten wat. In Chili lopen over het algemeen heel veel honden los rond. Het merendeel hoort kennelijk wel bij een gezin want die zien er goed uit en hebben een riempje om. Toch lopen ze de hele dag door de stad, vlak voor auto s langs, doen lelijk tegen elkaar, soms lopen ze hele einden met ons mee. en vaak liggen ze midden op de stoep te slapen en moet iedereen eroverheen stappen. Het valt op dat veel van die honden op drie poten lopen of anderszins hinkepoten. Die zullen het wel net niet gehaald hebben voor een auto langs. Af en toe komen er onderweg honden blaffend achter ons aan, ze hebben iets tegen draaiende wielen, maar als je dan heel hard schreeuwt druipen ze af.
Hier in Taltal zijn er op een gegeven moment veertien die in een soort roedel door de stad lopen. Op de pier zijn honden die naar de pelikanen op de zee kijken en op de Plaza liggen vier hele jonge hondjes te slapen, de moeder ligt een eindje verder. Een klein meisje solt met een van de hondjes, die dat allemaal best vindt. Op het strand zijn ook een paar honden die nergens bij horen, hun vacht is helemaal aangetast door schurft.
Zaterdag 21 maart, Taltal
We besluiten nog een dag te blijven om uit te zoeken hoe we verder kunnen. Langs de kust tot Paposo is niet zo'n probleem, maar daarna wordt het lastig. Er is een Observatorium van de ESO op de weg, je kunt er een bezoek brengen maar er gaat geen openbaar vervoer naar toe. Van een Engelssprekende mevrouw die we in Pan de Azucar ontmoetten, begreep ik dat er maar twee auto's per dag passeren.
Als we via internet proberen erachter te komen hoe het zit, is er een man in het hotel die de plantjes verzorgt. Hij werkt er niet, hij is er gast net als wij. We vragen hem wat hij weet van de weg. Paposo is een dorp met 200 inwoners, je kunt er lunchen, dat wel, maar verder weet hij het niet. Daarna gaat de weg over 18 km ripio 1200 meter omhoog, dan is er pavimento, 130 km lang tot je weer bij de ruta 5 bent. Er is niets onderweg, dus water en eten meenemen.
We gaan proberen om in Paposo een auto te charteren die ons het stuk ripio omhoog wil brengen. Niet dat we daar te lui voor zijn, maar dat gaat ons anders een dag kosten en dat wil zeggen dat we dan voor vier ipv drie dagen water mee moeten nemen en dat lukt niet. De man werkt in een mijn een stukje voor Paposo. We praten een uur met hem, over Chili, over de kopermijnen, over kleine goudmijnen die nu de koperprijs sinds vorig jaar september gehalveerd is, weer geexploiteerd worden. Waarom de mijnen en grote bedrijven in buitenlandse handen zijn? In Chili is geen kapitaal. Later krijgen we allebei een sombrero van de mijn (NovaVentura Mine) van hem.
Op het strand gaan we, nu met fototoestel, kijken naar de vogels, meeuwen en pelikanen die rond de pier zwermen en wachten tot de vissers en de visverkopers langs de weg het afval in zee gooien. Vooral de pelikanen zijn interessant om te volgen. Ze nemen een groot stuk vis, een vissekop meestal, in hun bek, peddelen weg achternagezeten door soortgenoten, doen dan hun snavel zo ver mogelijk omhoog, schudden daarmee zodat het hapje naar beneden zakt (de onderant van de snavel is heel elastisch, lijkt van rubber dus je ziet het zakken) en als het hun keel gepasseerd is, strijken ze met de snavel over de borst om het verder te laten zakken. Intussen proberen de andere het hapje te stelen. De zeehonden komen helaas niet meer zo dichtbij als gisteren, toen we geen fototoestel bij ons hadden.
Zondag 22 maart, Paposo
Na het ontbijt kopen we broodjes, halen geld en fietsen dan de stad uit. Na twee kilometer gaat Frank weer terug, de sleutel van de kamer inleveren. Dat gebeurt elke vakantie wel een keer, maar nu duurt het toch bijna vijf maanden eer het ons overkomt.
De weg voert ons tussen de Pacifico en het kustgebergte door, gaat af en toe op en neer, en is de eerste 20 kilometer geasfalteerd. Daarna drinken we koffie op een brug, net zoals we dat in het zuiden ook altijd deden, daar stuift het namelijk wat minder. Niet dat er hier in de woestijn een rivier is, dat niet. Maar al snel is de weg een met zout gestabiliseerde weg en schiet het toch nog lekker op.
Om twee uur zijn we in Paposo, waar we eerst maar eens anderhalve liter cola kopen en een broodje eten. De man van de kiosk vertelt ons waar alojamiento is en zegt dat we bij hem vis kunnen eten. Mas tarde, zeg ik. De duena van de alojamiento is er niet en dus wachten we geduldig tot het meisje dat er wel is kan bellen met Taltal om te vragen of er plek is. Alsof Paposo overstroomt met toeristen, daar ziet het niet naar uit. Later is de broer van de duena er en gaat de deur open, een eenvoudige kamer, maar er is wel een douche. Alles beter dan de tent op een zanderig stukje grond midden in het dorp op te moeten zetten.
We eten later vis bij de man van de kiosk, die ons ervan verzekert dat als we morgen op het kruispunt gaan staan, we zeker meegenomen worden naar boven. Maandag 23 maart, km 79.5 op B710, 2000m Het klopt, we staan er nog geen dertig seconden en we heb nauwelijks aarzelend onze duim opgestoken, of er stopt een pick-up met mannen die op weg zijn naar een van de mijnen boven Paposo, Mina Julia die net voor de pavimento begint aan een weg rechtsaf ligt. Met zijn drieen hijsen ze de fietsen in het bakkie, wij op de achterbank en hup daar gaan we omhoog, tot 1300 meter hoogte, in een half uur. De weg was zeker lastig te fietsen geweest, ze zijn hem aan het voorbereiden om te asfalteren en dat wil hier zeggen dat er veel losse gravel ligt.
Uitladen van de fietsen op 1300 m
Boven blijkt de waterzak, met vier liter water dat we hard nodig zullen hebben, klem gezeten te hebben en hij lekt een beetje. Frank plakt hem met ductape. Het asfalt is schitterend, dat mag ook wel, we hebben er zelf voor betaald. De weg is met Europees geld, onze belastingcenten zeggen we dan, aangelegd om de Sterrenwacht Paranal van de European Space Organisation te kunnen bereiken. Er rijden veel grote tankwagens met agua potable naar de sterrenwacht, ook daar betalen we vast voor,maar we krijgen geen water van ze.
Wel toeteren de chauffeurs altijd op zo n weg, op de ruta 5 lang niet altijd. Verder rijden er vrachtauto's van Air Liquide om de spiegels van 8,2 m doorsnede op temperatuur te houden. Er mag geen nanometer hoogteverschil ontstaan over die afstand namelijk. We gaan verder omhoog tot 2050 meter hoogte, dalen dan 200 meter, en dat herhaalt zich nog twee keer. behalve zand en stenen is er niet veel te zien. geen cactus, geen grasspriet helemaal niets.
De grote leegte
Het waait en wel uit het noorden. dat kan helemaal niet. Iedereen verzekerde ons ervan dat we ten noorden van Santiago altijd wind mee zouden hebben en tot nu toe was dat ook zo. Ook de diverse weersites die ik raadpleegde gaven zuidenwind aan. En ten slotte roep ik vandaag zo'n 23 keer San Expedito aan. Ik vind harde tegenwind wel een acuut probleem en misschien dat hij dat op kan lossen. Maar nee, het blijft hard waaien.
Bij de vierde helling is de puf op en bij een klein sanctuario voor een omgekomen mijnwerker, waar de enige struikjes staan op een totale afstand van 127 km, zetten we de tent op, midden in de woestijn. We drinken er eerst maar eens warm bier en koken dan snel ons potje voor het donker is. De afwas blijft staan tot morgenochtend. Het is hier pikkedonker en doodstil als de wind gaat liggen zoals die 's nachts altijd doet. Alle geluiden die we horen maken we zelf. Heel af en toe passeert er nog een auto, verder horen we niets.
Kamperen op 200 m langs B710
Dinsdag 24 maart, Antofagasta
Op tijd op, de zon komt hier snel boven de bergen uit. Na de nodige koppen thee en een broodje, klimmen we het laatste stukje tot 2155 meter en daarna kan de afdaling beginnen. Geweldig! Het asfalt is schitterend, de wind neemt wel steeds toe, maar dat neemt niet weg dat we bij de kruising met de ruta 5 toch een gemiddelde van 20,9 km/h hebben staan. Een heel mooie weg, mooie bergen, mooie kleuren, wel heel erg leeg.
De ruta 5 is minder mooi. Er wordt van alles naast de weg gekieperd, lege flessen, luiers, plastic zakken en vooral veel autobanden of resten daarvan. Er is ook meer verkeer, vrachtverkeer en bussen voornamelijk, maar gelukkig is er een niet aangevreten vluchtstrook. Bij La Negra is een enorm lelijk industriegebied, maar ook een Copec service station waar we een broodje eten en een fles sap nuttigen.
Het laatste stukje naar Antofagasta gaat nog steeds bergaf maar omdat de wind inmiddels hard uit het westen komt hebben we hem weer tegen. Antofagasta is een grote plaats, de vijfde van Chili, en dat wil zeggen dat het even duurt eer we een geschikt hotel gevonden hebben, maar na een uur zijn we daar toch in geslaagd. Morgen blijven we hier een dag.
Groeten, Frank en Marianne
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Woensdag 25 maart, Antofagasta
Op de plaza hier staat een standbeeld van iemand die me bekend voorkomt. Nu staat er hier op bijna elke plaza een standbeeld van Bernardo O'Higgins, de libertador van Chili, maar dat is hem niet. Het is Teniente Merino Correa, de commandant van het leger die bij het Lago Desierto in 1965 tijdens het conflict met Argentinie omkwam. Zo wordt de cirkel weer rond: in het zuiden kom je de man tegen, en in het noorden maanden later weer. Hij is hier geboren, vandaar.
BigBen op Plaza Antofagasta
Zo had ik een paar dagen geleden ook al een deja vu, of beter gezegd een deja senti. De geur op het strand een stukje na Taltal deed me denken aan een geur in Zuid-Afrika, en ja hoor, het was guano. Guano is vogelpoep, dat 'geoogst' werd onder andere door slaven uit Polynesie en als mest aan de VS en Europa verkocht werd. Tezelfder tijd gebeurde dat ook in Zuid-Afrika, waar het ook guano heet. Guano is een van de vier tijdperken waaraan Antofagasta zijn bestaan dankt. vanaf 1830 tot 1860 was dat de belangrijkste bron van inkomsten. Daarna kwamen zilvermijnen, salitre (salpeter) en nu is het tijdperk van de koper nog aan de gang. Al is de prijs op de wereldmarkt enorm gedaald en gaan veel mijnwerkers op zoek naar de veel kleinere goudmijnen, die prijs is veel stabieler. Althans dat vertelde de man in het hotel in Taltal. De rest leren we in het werkelijk uitstekende museum in Antogafagasta waar we een groot deel van de middag doorbrengen. Zo leren we er ook hoe de eerste bewoners van Antofagasta boten bouwden: je vangt twee zeehonden, snijdt ze doormidden, haalt vlees en ingewanden eruit (en eet ze op neem ik aan,maar dat meldt hetmuseum niet), bindt kop en staart goed dicht, naait ze in het midden weer aan elkaar, blaast ze dan op met een soort blaasbalgje, bindt ze aan elkaar en bevestigt er een plankiersel op, en klaar is de catamaran avant-la-lettre.
Antofagasta was eerst Boliviaans, Chili bezette dit stuk van het land in 1879, tijdens de grote Pacifico-oorlog. Ik snap het niet helemaal want de mijnen werden voor die tijd wel allemaal door Chilenen gesticht, en zijn later eerst in Engelse handen overgegaan, voor ze een poos geleden weer genationaliseerd zijn. Ingewikkelde geschiedenis hier, niet zomaar na te vertellen.
Donderdag 26 maart, Mejillones
Er is enige consternatie eer we weg zijn. De dame van het hotel maakt een foutje met de rekening, meldt dat en Frank betaalt het ontbrekende bedrag bij, maar daarna gaat ze beweren dat we dat nog eens moeten doen. Als we zeggen dat Frank het net betaald heeft, gaat ze ineens zeggen dat ik in eerste instantie ook al te weinig betaalde. Frank zegt later dat het dommigheid van haar is, ik verdenk haar ervan dat ze door die fout zoveel verwarring wilde stichten dat we teveel gaan betalen. Dat doen we niet en ik vertrek met een rotgevoel, helemaal opgefokt.
Anderhalf uur later passeren we de steenbokskeerkring. We vertrokken in Ushuaia op een hoogte van 54 graden en nog wat zuiderbreedte en nu zijn we op 23 graden en nog wat. Eigenlijk hebben we al die tijd niet echt op het nogal grove reisschema gekeken, en er ons dus ook niet aan gehouden, maar nu blijkt dat we goed zitten
.
Capricorn
In Antofagasta hebben we 6000 km gefietst, en over 5 dagen zouden we ongeveer in Maria Elena zijn. dat lijkt te gaan lukken. We do not have a crisis here, zegt de jongen van het vijfde hotel waar we vragen om een kamer in Mejillones. Alles is vol. Waarschijnlijk met arbeiders in de hidrothermische fabriek, want toeristen zien we hier niet. Hij verwijst ons naar de overkant waar we een soort cabana huren. Dan kunnen we wel zelf koken, dat is wel prettig. En er is een ijskast!
Kerkje Mejillones
Vrijdag 27 maart, Cobija
Vandaag is het niet lastig fietsen. Nadat we met enige moeite, er is nog niet veel open in Mejillones, voldoende eten en drinken verzameld hebben, fietsen we naar de kustweg. Die weg, no 1, is eerst saai, maar na de lunch wordt het beter. Zolang we in de gemeente Mejillones zijn, zijn er langs de weg af en toe parkeerplaatsen met bankjes en een parasolletje, voor het eertst in Chili. We drinken er koffie en later lunchen we er ook.
Koffie Drinken Na Mejillones
De weg gaat op en neer en het uitzicht op de Pacifico wordt mooier. Cobija is een ruinedorp. Ooit was het een vissersdorp waar vooral changos (indigenas) woonden met een haven waar buitenlanders goederen voor San Pedro de Atacama, Calama en Chiu-Chiu brachten. Daarna kwamen de arisocraten van de altiplano die er een badplaats van maakten, en nu staan er ruines, overblijfselen van lemen huizen, dat zijn er niet veel dus.
Aan de weg is een posada, aan het strand zijn zo te zien een paar huizen waar vissers wonen. Er dobberen ook een paar bootjes in zee. Tussen de vissershuizen en de weg staan een paar gebouwen die er wat beter uitzien. We rijden ernaartoe en het lijken een soort zomerhuizen te zijn. Alles is potdicht afgesloten. Op een vlak stukje achter het grootste huis zetten we de tent op.
Zaterdag 28 maart, Tocopilla
Het was erg klam en vochtig vannacht en ik plak aan de slaapzak vast. We staan niet heel vroeg op want de zon moet de tent toch eerst droog krijgen eer we weg kunnen.
Kamperen Cobija
De weg is een vootzetting van het laatste stuk gisteren, we passeren nog een ruinedorp met een wonderlijke begraafplaats vlak langs de weg.
Cementerio Gavito
We gaan wat omhoog en omlaag en hebben links uitzicht op de Pacifico, rechts op bergen zand en stenen, die veel donkerder van kleur en dus veel saaier zijn dan de woestijn boven bij de Sterrenwacht Paranal. We hebben ons al een paar weken afgevraagd wat lastiger fietsen is, kou en nattigheid zoals in het zuiden, of droogte en hitte, zoals hier. We zijn het erover eens dat dat laatste lastiger is. Tegen kou en nattigheid kun je je wapenen, tegen hitte en droogte niet. En het gevaar dat je te weinig water hebt, is altijd aanwezig. Al beweert Frank dat dat alleen bij mij tussen de oren zit. Tot nu toe is dat niet het geval geweest.
Ook nu komen we in Tocopilla aan met nog steeds elk minstens anderhalve liter water aan boord. Tocopilla is een industriestad, maar gelukkig zijn niet, net als in Mejillones, alle hotels vol. We kiezen er een en ik ben blij als ik weer onder de warme douche sta.
Groeten, Frank en Marianne
----------------------------------------------------------------------------------------------------------
Zondag 29 maart, Tocopilla
Het South American Handbook heeft het over de aardbeving die hier eind 2007 plaatsvond. Ze adviseren goed uit te zoeken of er hotels open zijn. Het enige wat we zien van de aardbeving is dat een paar huizen ondersteund worden door houten staketsels en dat hotel Vicuna, dat wel op de lijst staat die we in Antogagasta kregen, helemaal ingestort is. Verder maakt de stad helemaal geen ingestorte indruk.
Het is echt een werkstad, weinig toeristisch aan, maar wel zijn hier op zondag de restaurants, en trouwens ook alle winkels, open, in tegenstelling tot de plaatsen ten zuiden van Santiago waar we op zondag nauwelijks iets te eten kregen.
We zien s avonds Chili met 3-1 van Peru winnen in de kwalificatie voor het WK2010. Gisteren zagen we ook dat Nederland met 3-0 won van Schotland.
Maandag 30 maart, Maria Elena
Dit is wel heel apart. We rijden bergop en een stukje boven ons rijdt een trein. We horen hem en zien hem af en toe. Erg veel harder dan wij gaat hij niet. Vanuit Tocopilla gaan we dan ook steil omhoog de bergen in. De stad heeft, volgens het South American Handbook de meest spectaculaire ligging van alle Chileense kuststeden. Het valt niet mee, 8% gemiddeld. Om de 50 m klimmen stoppen we om op adem te komen. Het is een secundaire weg met voornamelijk werkverkeer en dus zwaait iedereen weer enthousiast naar ons.
De machinist van de trein die omlaag komt toetert heel hard en de bijrijder steekt zijn duim uit het raam. Op 1000 meter hoogte, zegt Frank: Dat hebben we netjes gedaan! Zonder zeuren. Daarmee bedoelt hij dat ik niets van mijn twijfels heb laten blijken. We hebben 11,2 km gefietst, met een gemiddelde snelheid van 6 km/h, We drinken koffie bij een sanctuario.
Koffie Drinken Bij Sanctuario
Stiekem bedenk ik wel dat als we dit tempo handhaven, dan zijn we om zeven uur nog niet in Maria Elena, maar ik zeg het niet hardop natuurlijk. We rijden door en het vlakt wat af, maar gaat nog steeds omhoog. Op 1400 meter hoogte is er ineens een zandklomp die wat schaduw biedt en daar eten we elk een half(!) broodje, meer gaat er niet in met deze hitte in de woestjn, drinken een halve liter sap en eten een pomelo. Na de lunch gaat het nog even omhoog tot 1480 meter, maar de wind is inmiddels zo hard, en nu mee, dat we toch met meer dan 20 km/h gemiddeld omhoog gaan. Daarna gaan we omlaag, wind mee, heel hard en de gemiddelde snelheid die bij de lunch 9 km/h was, neemt toe tot 12,5 km/h bij de afslag naar Maria Elena.
Maria Elena is genoemd naar Mary Ellen Condell, de vrouw van een van de administradores van de SQM, het bedrijf dat het dorp in bezit heeft, een chemisch bedrijf. Maria Elena is de enige nog actieve salitremijn ter wereld op dit moment. Alle huizen en gebouwen zijn van de SQM, ze zien er dan ook allemaal hetzelfde uit, al zijn sommige beter onderhouden dan andere. De weg naar Maria Elena is onverhard, maar grotendeels gestabiliseerd met zout, dus redelijk te befietsen.
Van het oficina de turismo in Antofagasta kregen we twee adressen voor onderdak. Het eerste is vol en niet erg behulpzaam. We fietsen naar de plaza en vragen de tacxichauffeurs die uitleggen hoe we bij het tweede hospedaje komen. Daar is nog net wel plaats. eenvoudig en goedkoop. We doen boodschappen in het dorp en koken ons eigen potje op de patio. Prima plek om te verblijven, beter dan in Tocopilla zegt Frank.
Koken Op De Pation Hospedaje Jor
Dinsdag 31 maart, Calama
Dan gebeurt het toch, verslagen door de woestijn, beaten by the desert. Het dorp Maria Elena uit is geen probleem, de ruta 5 die we een stukje moeten nemen ook niet, daar halen we zelfs een kruissnelheid van 27,5 km/h, maar na de afslag gaat de weg kaarsrecht omhoog de bergen in.
Maria Elena
Je kijkt hier zo 50 km weg en het is wat deprimerend om te zien wat er allemaal nog komt. Weliswaar zijn de bergen niet zo lelijk als vlak bij Tocopilla, ze zijn wat minder grijs, maar het uitzicht verandert de hele dag niet.
Ik word een poosje vergezeld door een libelle die meevliegt (waar die vandaan komt en waar die van leeft? Geen idee.) en voor ons uit rent even een heel kleine hagedis maar dat zijn dan ook de enige levende wezens die we zien vandaag. Na de lunch, alweer niet veel meer dan een broodje, sap en een appel, gaan we weer in stukken van 50 meter omhoog en hopen dan dat tijdens de rustpauze een pick-up passeert die ons mee wil nemen.
Het lukt niet, als er al een pick-up passeert is het als wij net weer op de fiets zitten en dan toeteren ze enthousiast, steken een duim omhoog, en wij schieten er niets mee op.
Op 2250 m hoogte, de hoogte van Calama, stopt er een suv. De man aarzelt wat, maar bedenkt later dat de fietsen wel op het dak kunnen, en dus proppen we alle bagage achterin, bevestigen met vereende krachten de fietsen op het dak en rijden dan mee over 3000 m (!) hoogte alvorens af te dalen naar de mijn op 2650 m hoogte. 16 km voor Calama, naar eigen zeggen de enige oase-stad ter wereld, is de grootste open-pit kopermijn ter wereld, Chquicamata. Dat hadden we nooit gehaald.
Afladen fietsen Bij Chuquicamata
Bij de mijn stappen we uit, bekijken de schade (mijn voorraad uit het voerbakje is weggewaaid en mijn stuurlint is beschadigd) en dalen dan de 16 km af tot 2250 m hoogte, tot Calama. Daar vinden we tegen half zes een hotel dat ons bevalt. Het eerste keuren we af, te zeer een dunkles Loch. Zonder de lift hadden we het niet gehaald. Maar als we geweten hadden dat we over 3000 meter hoogte moesten, waren we beter voorbereid op pad gegaan. Meer water en eten mee, betekent dat. Beaten by the desert, vind ik, al vindt Frank van niet.
Chuquicamata Vanuit De Auto
Groeten, Frank en Marianne