HOME

Frank en Marianne
Juli 2009

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Woensdag 1 juli, Puente Chao

Ruta Brasileno

Nog zes kilometer op die slechte weg hebben we voor de boeg en die leggen we in net iets minder dan een uur af. In Chuquicara kopen we nog wat water, het is weliswaar nu nog niet warm, maar dat kan nog komen. Net als boven en onder Lima is het hier richting kust bewolkt. Als we het dorp uitrijden, terug naar de brug over de rio Santa staan er drie meisjes die ons om potloden vragen. Hier zal ooit die wonderlijke Canadees die we vorig jaar op Cuba tegenkwamen en die te pas en te onpas potloden aan kinderen opdrong wel ooit langsgekomen zijn. Ik bedenk dat ik wel een aantal pennen bij met heb en diep ze op uit mijn tas. De kinderen zijn er erg verguld mee en poseren vervolgens trots met hun cadeau voor de camera.

Cuquicara Drie Meisjes Drie Pennen

Als we de brug over gestoken zijn, staan de kinderen hun moeders en de politieagent aan de overkant van de rivier breed te zwaaien en te roepen. We gaan maar terug, horen wat er is. We blijken niet hier over de rivier te moeten steken, maar zes kilometer verder. Dat hadden we niet begrepen van de fietsers die we gisteren tegenkwamen.

Zes kilometer verder is een gele brug met een poort die afgesloten is. We willen de ruta Brasileno hebben, een priveweg, waar je alleen met toestemming met de fiets over mag of tegen betaling van 6,5 dollar met de auto. Een eindje verder is aan de overkant een gebouw en Frank klimt op de wal om te kijken of hij iemand zo ver krijgt om die poort open te doen. Geen mens te zien natuurlijk. Dan rijden we maar door en bijkt er gelukkig nog een brug met een afgesloten poort te zijn. Hier is wel een bewaker vlakbij die we met bellen en fluiten zover krijgen dat hij de poort open doet. Gelukkig maar, anders hadden we toch naar Chimbote gemoeten en daarvoor wordt in alle talen gewaarschuwd dat het daar gevaarlijk zou zijn.

De weg is een onderhoudsweg van een kanaal dat een Braziliaanse maatschappij heeft aangelegd om de woestijn onder Trujillo van water te voorzien. Projecto especial Chimochique heet het. Het wegdek is prima, onverhard maar veel beter dat de afgelopen 80 km. Zelfs bergop gaan we nu sneller dan gisteren bergaf. We drinken eerst maar eens koffie nu het er zo veelbelovend uitziet.

Koffiedrinken Bij Verlaten Huizen Ruta Brasilena

Langs de weg zijn af en toe verlaten gebouwen, alleen de muren staan nog overeind. Waarschijnlijk de huisvesting voor de arbeiders die het kanaal aangelegd hebben. Die resten zien er beter uit dan de meeste huizen van de mensen in de dorpen, maar net als we ooit in Lesotho zagen, daar willen (of kunnen?) de lokale mensen niet wonen en dus raakt de boel in verval.

Koken Langs Rio Santa

Er komt toch af en toe wat verkeer langs, voornamelijk pick-ups van mensen die bij het projecto especial horen of vrachtwagens die kennelijk met toestemming een stuk afsnijden. Uiteindelijk bereiken we aan het einde van de 50km-lange weg de Panamericana weer. Nog veertien kilomter verder richting Trujillo is Puente Chao, waar een hospedaje is met douche, waar we na al dat stofhappen hard aan toe zijn. Vreemd genoeg betalen we voor een grote weliswaar eenvoudige kamer met opgemaakt bed en bano privado net zo veel als twee dagen geleden voor een lemen hutje met nauwelijks iets. Je krijgt het idee dat ze ons daar afgezet hebben, maar ach, het is uiteindelijk zo weinig en we hopen dat de mensen er daar gelukkig mee zijn, dat we ons er maar niet druk over maken. Morgen nog ongeveer 60 kilometer naar Trujillo en daar hebben we weer een echt hotel.

Ruta Brasilena

Donderdag 2 juli, Trujillo

Suikerriet

Vandaag fietsen we alleen nog maar over de Panamericana, niet onze favoriete weg, maar het is niet anders. Net als gisteren het laatste stuk is vandaag de eerste zestien kilometer voorzien van gloednieuw asfalt, maar helaas moeten wij voornamelijk op de vluchtstrook rijden die net van een vers laagje losse steentjes is voorzien. Denk je van de gravel af te zijn ...

De hele dag is het opletten geblazen, er ligt glas op de vluchtstrook, na het nieuwe stuk zijn er gaten en stukken asfalt die compleet ontbreken. Vooral in de dorpen wordt de vluchtstrook snel kapotgereden. En verder liggen er elke meter wel een paar reuze suikerrietstengels, twee tot drie meter lange rietstengels, een paar cm dik, waar je niet makkelijk overheen rijdt. Niet verwonderlijk trouwens als je ziet hoe ze vervoerd worden, gewoon gestort in open vrachtwagens.

Wij rijden langs allerlei agrobedrijven, veel fruit geven de borden aan. Je ziet de boomgaarden zelf niet want die bevinden zich achter een dikke haag van bomen. Hier wordt het water van het proyecto especial Chavimochic dus nuttig gebruikt. En natuurlijk zijn er veel suikerrietplantages, die kennelijk niet verborgen hoeven worden achter een haag van bomen. Je ziet het suikerriet, net als de mais trouwens, in allerlei stadia van volwassenheid. Dat is het mooie aan de tropen. Het hele jaar door is er elke dag ongeveer even veel licht, de temperatuur verschilt hier vlakbij de oceaan ook niet zo heel veel, dus je kunt zaaien en oogsten wanneer je wilt.

Het is hier aan de kust, net als bij Lima, bewolkt en mistig. We fungeren als condensatiekernen en worden steeds klammer en kouder. Op de laatste heuvel voor Trujillo, een grote stad, eten we een broodje op een bankje voor een van die agrobedrijven. Meteen komt de bewaker kijken wat we daar doen, maar we zien er blijkbaar niet gevaarlijk uit want na een praatje gaat hij weer terug naar zijn post. Een eindje verder zijn wegwerkzaamheden. De jongen die ons aanhoudt, ratelt een heel verhaal af in een razend tempo. Veel begrijpen we er niet van, maar als we muy cuidado (voorzichtig) zijn kunnen we door, begrijpen we, want er was iets met comida (maaltijd). Dat klopt, denken we te kunnen constateren. Alle wegwerkers zitten langs de kant van de weg te eten. Aan het andere einde van het werk staat zo'n zelfde figuur, die ons aanhoudt, en vervolgens ... naar zijn comida vraagt. Dat hadden we dus niet begrepen van het verhaal, dat we ergens zijn comida hadden moeten oppikken en aan hem moeten geven. We verontschuldigen ons en hopen dat hij zijn eten dan toch op een andere manier gekregen heeft.

Trujillo is een grote stad en wedijvert met Arequipa in het zuiden (waar we overigens niet geweest zijn) om de tweede plaats. Het valt op dat er nauwelijks gebouwen hoger dan twee verdiepingen zijn. het geheel maakt een open en lichte indruk. We gaan naar het hotel van onze keuze en vinden er weer een prima kamer. Morgen gaan we de overblijfselen van de Moche- en de Chimu-beschavingen bekijken hier in de buurt.

Groeten, Frank en Marianne

---------------------------------

Vrijdag 3 juli, Trujillo

Om kwart voor elf staan we op de afgesproken plek en gaan met tien anderen onder begeleiding van Maritza in een bijna nieuw minibusje naar Huaca de la Luna, de tempel van de maan. Of die in de tijd van de Moches zo heette is niet bekend, het is de naam die men er nu aan gegeven heeft. Op hetzelfde terrein staat ook de zonnetempel, maar die is niet te bezoeken want die is nog niet uitgegraven. De maantempel dus wel.

De Moche-cultuur duurde van 180 tot 880 jaar na Christus. Er zijn eigenlijk vijf tempels over elkaar heen gebouwd, vertelt Maritza. Door weersomstandigheden die met el nino samenhangen kon het gebeuren dat de tempel helemaal volstroomde met modder en dan bouwden ze er gewoon weer een bovenop. Nou gewoon, het zal wel even geduurd hebben. Nu zien we op sommige plekken staketsels staan die de gerestaureerde delen tegen el nino, die er volgend jaar weer aankomt, moeten beschermen. Dit archeologisch project dateert van 1991 en je vraagt je af hoe ze geweten hebben wat zich onder zo'n hoop zand zou kunnen bevinden. Er wordt alleen geconserveerd, niet gerestaureerd en niet nieuw bijgemaakt. Het project kreeg een prijs voor het best opgezette archeologische project ter wereld. Een aantal van de muren, uit lemen blokken opgebouwd en daarna voorzien van 3D-beeltenissen in kleur, zijn zichtbaar. De Moches offerden mensen, dat waren de mensen uit de lagere klassen (die kleiner zijn dan 1,54 meter) of gevangenen herkenbaar aan een touw om hun nek. Die zijn afgbeeld op de muren, net als weer de drie-eenheid het hemelse of de hogere klassen (de condor), het aardse (iets puma-achtigs met grote snijtanden), en het water (de rivier in de vorm van een slang).

Er lopen bij dit soort projecten Peruaanse honden rond. Het zijn honden zonder vacht, die vroeger als een soort kruik werden gebruikt. Ze zijn namelijk heel warm. We voelen eraan, net als iedereen trouwens, en het klopt. De honden laten dat het allemaal gewillig toe. Vreemde honden, die hier worden gehouden omdat ze met uitsterven bedreigd worden.

Peruaanse Hond

Het busje brengt ons naar een plek om te lunchen, el Sombrero. Daar is het een drukte van belang. Vandaag is de dag van de leraren en die lunchen hier met zijn allen feestelijk vandaag. Het eten dat wij krijgen, buiten het feest om, stelt niet veel voor, het is koud, maar de dansers op het podium die de jongste leraar (zestien jaar oud maar wel in pak) op het podium vragen, maken het toch tot een interessant gebeuren.

Dansers El Sombrero

's Middags gaan we eerst naar de Rainbowtempel. Hier is wel gerestaureerd en nieuw bijgemaakt. Het is een van de vele tempels van Chan Chan, een grote stad waar tussen 880 en ongeveer 1450, de Chimu-cultuur, 35.000 mensen woonden. Het is de grootste lemen stad ter wereld. Toen de lagere klassen van de Moches in opstand kwamen verviel die cultuur langzaam en vestigden mensen zich op een andere plek die niet zo gevoelig was voor natuurrampen, aan de andere kant van Trujillo, vlak bij de Pacifico. Elke koning bouwde er zijn eigen nieuw paleis, dus er zijn tien grote paleiscomplexen waarvan er een helemaal gerestaureerd is. Die gaan we bezoeken. De weg ernaar toe is net als die naar het Moche-complex onderdeel van het project en kostte 800.000 dollar, vertelt Maritza. Zonder weg geen toeristen en geen inkomsten natuurlijk.

Chan Chan

Het is een indrukwekkend geheel, die grote lemen stad. Wonderlijk toch dat ze dit soort zaken gewoon onder zandhopen tevoorschijn kunnen toveren. Het meest wonderlijk is de vijver, de bron in het paleis. Tien jaar geleden stond die droog. In plaats van de akkers te bebouwen hogerop, en dus te irrigeren, werden er huizen gebouwd en kwam er geen water meer naar beneden. Maar nu, met het proyecto especial Chavimochic gelukkig weer wel en is de waterplas weer vol.

Aan het einde van de dag rijden we nog naar Huanchaco, de vissersplaats vlakbij Trujillo, waar ze net als in het lago Titicaca rieten boten hebben. Ze zijn wel anders van vorm, smal en weinig diep. De vissers zitten op de voorplecht, de verdieping is om netten en gevangen vis te vervoeren.

Visnetten Repareren Santa Rosa

Zaterdag 4 juli, Trujillo

Een bijzondere ontmoeting

Na het ontbijt en de tijdrit van de Tour de France, die we eerst via internet live en later op televisie (TV5, Latino America) volgen, gaan we op zoek naar de Avenida Santa. Wij hebben hier in Trujillo namelijk nog een missie te vervullen. Toen we drie dagen geleden fietsers tegenkwamen en vertelden dat we op weg waren naar Trujillo, vroeg Ariel, het Amerikaanse meisje, of we nog bij Lucho langsgingen. Natuurlijk, zeiden wij. Alsof je als fietser door Trujillo kunt komen zonder dat te doen, onvoorstelbaar. We kregen van haar sleutels mee, die ze per ongeluk had meegenomen in plaats van in te leveren, met het verzoek ze terug te brengen. Dus wij zoeken en vinden het adres van Lucho en vragen bij het hotel hoe we daar komen. Het blijkt vlakbij te zijn en we gaan er lopend naar toe. Eigenlijk hoor je er per fiets aan te komen, natuurlijk, maar het verkeer hier, eigenlijk allleen maar taxi s, is van dien aard dat we liever lopen.

Wie is Lucho en waarom moeten we daar onbedingd langs, vraagt het merendeel van jullie zich nu vast af. Nu het zit zo. In Zuid-Amerika heb je een aantal huizen, casas de ciclistas genaamd, waar je als fietsreiziger (meestal gratis) kunt overnachten, en dat van Lucho is het meest beroemde. We hoorden ervan van Ruud en Dagmar, die er in 2001 meen ik, verbleven, van Sven en Dorothee die er hun fietsen lieten staan tijdens hun rondreis door Peru, en van vele anderen via hun website. Om even na een uur bellen we er aan ... en gaan er pas weg als het donker is. an dat terwijl Lucho er helemaal niet is! Hij is naar Lima om er op een congres van de fietsorganisatie in Peru een lezing te geven.

De deur wordt opengedaan door Ciska, die meteen in het Engels tegen ons begint te praten. Na twee woorden van haar vermoed ik dat ze Nederlandse is en dat klopt. Weliswaar woont ze al tijden in Australi, of beter gezegd woonde ze in Australi. Ze is met haar man Michael en twee zoons, Jesse (13) en Sammy (11), vanaf mei vorig jaar aan het fietsen, vanaf Los Angeles door Midden-Amerika en nu Zuid-Amerika. Daarvoor reden ze vijf jaar met een motorhome door Australi. We raken aan de praat en er niet meer van af dus. Ze zijn blij dat ze eindelijk niet meer de oudste fietsers zijn van alle fietsers die ze tegenkomen en vertellen met graagte over hun avonturen, soms zoekend naar woorden in het Nederlands. Wij vinden het vooral bijzonder dat ze met twee kinderen zo'n reis ondernemen. De jongens vinden de reis schitterend. Ze spreken Nederlands, Engels en Spaans. Ervaringen en verhalen uitwisselend is het donker eer we het door hebben en omdat de buurt hier niet zo geweldig veilig bekend staat, gaan we dan terug naar ons hotel en daarvandaan eten. We hebben eigenlijk geen van tween echt door gehad dat we de lunch overgeslagen hebben.

Ciska Sammy Michael In Casa Ciclistas Trujillo

Zondag 5 juli, Chiclayo

Gecontroleerd op wapens

Jesus, de grote dikke man die bij de ingang van hotel staat, loopt met me mee naar de cajero automatico als ik niet met mijn creditcard kan betalen omdat er geen verbinding is. Ik zeg lachend tegen hem dat je het geld sneller kunt pinnen dan verdienen. Dan begint hij te vertellen. Hij werkt al elf jaar bij dit hotel en heeft nog nooit opslag gehad. Hij kan niet met vrouw en twee kinderen naar Chiclayo, waar wij vandaag naar toe gaan. Dat kost 4 x 15 soles en dan moet je nog eten ook. Dat betekent de volgende dag geen eten. Hij verdient 520 soles in de maand begrijp ik. Geen vetpot inderdaad.

We fietsen nog even bij het casa de ciclistas langs. Michael en Ciska lenen onze kaart van Bolivia. Lenen, omdat we het leuk vinden om ze nog eens terug te zien als ze weer een keer in Nederland zijn. Weer staan we, nu buiten bij de fietsen, eindeloos met ze te praten. Er komt geen einde aan hun verhalen, maar om kwart voor twaalf fietsen we toch weg richting busstation. We halen de bus van 12 uur. Voor we instappen worden we gecontroleerd op wapens en weet ik wat. De bus is niet helemaal vol, maar we pikken onderweg nog de nodige mensen op, die overigens niet op wapens gecontroleerd worden. Het is niet zo'n luxe bus als die van Cruz del Sur. We betalen trouwens voor de fietsen bijna net zo veel als voor ons zelf.

In Chiclayo ontfermt een taxichauffeur zich over ons, volgens zijn zeggen omdat er op zondag minder politie en meer boeven op straat zijn. Wij willen naar een hotel, maar hij wil ons naar een ander hebben ... en krijgt zijn zin. Dit hotel is de helft goedkoper, maar wel wat minder van kwaliteit, maar vooruit. het is tegenover het politiebureau en dat geeft een veilig gevoel. De fietsen staan gewoon op de kamer.

 

Maandag 6 juli, Chiclayo

Eindelijk een echte quipu

Om acht uur is onze vriend de taxichauffeur er om ons naar het tourbureau van zijn vriend te brengen. We willen naar het museum van el Senor de Sipan, waar het graf van die senor en alles dat ze daar vonden te zien is. Het schijnt heel bijzonder te zijn. Maar helaas op maandag zijn de musea dicht op een na, Museo Bruning. We boeken de tour voor morgen, dan blijven we nog maar een dag in Chiclayo. We krijgen vervolgens een andere tour aangeboden, voor een vriendenprijsje, en omdat we toch iets moeten doen vandaag, stemmen we toe. 's Morgens gaan we naar Museo Bruning.

Gouden Halsketting Bruning

Weer hebben we een goeie gids, Orlando. We moeten zeggen dat ze dat in Peru goed doen. Je moet vier jaar studeren waarvan een jaar praktijk voor je officieel gids bent, en als je het eenmaal bent, moet je verplicht naar allerlei congressen om de nieuwste theorien bij te leren. Van alle gidsen die door het museum liepen hadden wij de beste. Omdat de andere mensen Spaanssprekend zijn, geen tour in het Engels speciaal voor ons, maar het is allemaal goed te volgen. Het museum bevat voornamelijk keramiek uit het Moche, Lambayecque en Chimu-tijdperk. Hier, 200 km ten noorden van Trujillo, was er iets tussen Moche en Chimu. En eindelijk zie ik een echte quipu.

Quipu Museo Bruning

's Middags pikken we nog wat lui op in Chiclayo en gaan naar de playas van Pimentel en Santa Rosa. We lunchen in Pimentel en lopen daar de oude houten pier op. Hier werd tot veertig jaar geleden suiker per trein aangevoerd en daarvandaan per boot naar de VS en Europa vervoerd. Nu leggen er alleen nog vissersboten aan het einde van de pier aan, maar niet nu. De Oceaan is te wild. We eindigen de dag in Monsefu met een bezoek aan een artesaniamarkt, waar we niks kopen.

Pier Pimentel

Dinsdag 7 juli, Chiclayo

Goud, zilver en koper

Vandaag gaan we weer met Orlando als gids dan toch eindelijk naar de Senor de Sipan, een Moche-heerser die 1700 jaar geleden leefde. Guido vertelde ons, dat zelfs als je meer dan genoeg ruines gezien had, dat dit toch de moeite waard was. Eerst gaan we kijken waar hij opgegraven is. Veertien graven hebben ze vanaf 1978 met engelengeduld opengemaakt en schoon gemaakt. Hier liggen nu replica's van de skeletten en de schatten die ze er vonden. Er zijn twee pyramides van lemen stenen opgetrokken en inmiddels tot grote zandhopen verregend. Hoe ze weten dat ze hier moeten zoeken is ons een raadsel. Er zijn, vertelt Orlando, rovers geweest die ooit een graf leeggehaald hebben. De graven bevinden zich op een platform opzij van de tempels, en de heersers van Sipan werden er begraven met al hun gouden, zilveren en koperen ornamenten. Tegelijk met de Senor de Sipan werden zijn vrouw, twee concubines, een bewaker, een soldaat en een priester begraven, na eerst vergiftigd te zijn. De voeten van de bewaker zijn afgehakt om te zorgen dat hij er ook in het hiernamaals niet vandoor kon gaan. Interessant is dat, na een vuurgevecht, de rovers en de mensen uit Sipan, later de archeologen zijn gaan helpen met de opgravingen en dat ze de geroofde schatten deels teruggegeven hebben. De gemeenschap als geheel heeft er meer baat bij dat de schatten in Peruaanse handen blijven, en dat er toeristen komen en opgravingen blijven plaatsvinden, dan eenmalig een graf leeg te roven.

Na de lunch in Lambayeque gaan we naar het museum waar alle vondsten tentoongesteld zijn. Zeer de moeite waard, een mooi ingericht museum is het en met Orlando als gids hebben we de best mogelijke uitleg. Indrukwekkend zijn de negen halskettingen van schelpen gemaakt, die met engelengeduld hersteld zijn in de oorspronkelijke vorm. Hoe dat was, weet men van afbeeldingen op keramieken kruiken. Tezamen met de Senor de Sipan werden ook talrijke kruiken met zaden, water en chicha begraven. een graf vlakbij bevat een priester en eentje een paar lagen dieper, ook hier werden tempels en grafplatformen op elkaar gebouwd door nieuwe heersers, ligt de Oude heer van Sipan, 250 jaar eerder overleden. Niet zo veel goud en zilver, maar zijn botten zijn beter bewaard gebleven vanwege het kwik dat in het graf gevonden is. Zeer de moeite waard, daar had Guido gelijk in.

Graf Van Senor De Sipan

Daarna gaan we nog naar een nog ouder pyramidecomplex Tucume, maar of het nu komt of we moe zijn,of dat alles na de Senor de Sipan minder indrukwekkend is, dit had niet meer gehoven voor ons. Moe maar voldaan zijn we tegen zeven uur terug in Chiclayo.


Woensdag 8 juli, Piura

Paro de nuevo

Ons hotel is tegenover het politiebureau. Er staan misschien wel 20 agenten buiten in verband met de staking, maar ze hebben voornamelijk veel lol. Er gebeurt niet veel. Hier niet althans, in Lima wel. Bij het busstation blijkt dat de bus naar Piura pas om half twee gaat. We gaan maar eens voor de tweede keer ontbijten bij Hebron, het restaurant waar we al eerder waren. De fietsen staan voor het raam en vlakbij staan, alweer in verband met de staking, zo'n 20 agenten met wapens en schilden. dat ziet er wel veilig uit.

Er komen twee mensen binnen die wat aarzelend op ons af lopen. Ze hadden de fietsen gezien en opgemerkt dat die uit Nederland komen. Vervolgens zitten we de drie uur dat we op de bus moeten wachten gezellig met Leo en Anette uit Amsterdam te kletsen. Zij komen van Quito en gaan naar Ushuaia, dus we hebben heel wat nuttigs uit te wisselen. Op het busstation treffen we later twee Amerikanen met wie we al twee dagen excursies gedaan hebben. Vandaag veel gepraat met anderen dus.

Groeten,
Frank en Marianne

--------------------------------

Donderdag 9 juli, Sullana

Vlak en benauwd

Het hotel vannacht in Piura was nogal lawaaierig. We blijven er niet, ondanks dat Frank nu wat last van diarree heeft. We rijden de stad uit, na een kopje thee en toast in een cafe. (Ontbijt had het hotel ook al niet.) Eerst rijden we ook nog zes kilometer de verkeerde kant uit, mijn fout. Maar goed, terug door de stad heen en eenmaal op de goede weg schiet het lekker op. Het is vlak, erg vlak.

We stoppen als we twee fietsers langs de weg zien staan. Een van de twee is Ramon, de Spanjaard die net voor wij zaterdag bij het casa de ciclistatas in Trujillo aankwamen vertrokken was. Hij rijdt naar Quito waar zijn vriendin landt, en samen fietsen ze dan naar Colombia. Nu moet hij zorgen dat hij op 28 juli daar is, dus hij heeft meer haast dan wij. De andere is een Engelsman op een racefiets met heel weinig bagage op weg naar het zuiden. Hij wil niet over gravel rijden, en moet dus wel langs de kust, een vreselijk saai stuk (dat wij grotendeels per bus deden). Hij vraagt ons emailadres om onderweg informatie over de wegen te kunnen vragen. Hij heeft namelijk ook geen kaarten bij zich. Wonderlijke jongen.


Ramon En Engelse Fietser Bij Sullana

In Sullana nemen we afscheid van Ramon en gaan naar het beste hotel in town. Daar komen we de rest van de dag een beetje bij. Het is erg benauwd vandaag, dat krijg je als je zo laag en zo ver van zee zit. Sullana is een erg rommelige onprettige stad, blijkt als we naar het centrum lopen. Veel missen we er niet aan dat we buiten de stad zitten.

Nog drie dagen Peru, dan wacht ons Ecuador, een nieuw land en naar horen zeggen veel groener, maar ook veel bergachtiger. En op de website van Sven en Dorothee lezen we dat het er regent.

Vrijdag 10 juli, Tambo Grande

Welkom

Vannacht hebben we allebei last van onze magen en slapen niet geweldig. Gelukkig hoeven we ook vandaag niet ver, 47 km. Het is een goed idee gebleken om na die zes dagen niet fietsen in Trujillo en Chiclayo rustig aan te beginnen. Voor we weg zijn is het bijna tien uur. Het weer is beter dan gisteren, minder bewolkt, maar wel even benauwd. Het is nmiddels langzaam groen aan het worden om ons heen, bomen zijn er zelfs. De weg is prima, nieuw asfalt, al zijn ze nog aan het werk en is de vluchtstrook op een aantal punten nog niet af. Als we eenmaal echt buiten de stad zijn, is het ook tamelijk rustig.

We stoppen onder een rieten afdakje voor een kopje thee, aan koffie zijn we allebei nog niet toe. Er stopt een motortaxi met een lekke band. Frank helpt om het ding op twee stenen te tillen zodat het voorwiel eruit kan. Later geven we de jongen een van onze 88 plakkers, want hij zat zo te klooien met een stukje binnenband. Het is de stopplaats van de motortaxi's want later komen komen er nog meer. Onder twee stenen ligt een spel kaarten, voor als ze geen klandizie hebben. Ze zullen wel niet bridgen, de taxichauffeurs.

'Sonrie, estas en Tambo Grande' staat op de enorme watertoren waar we onder door fietsen bij ingang van het dorp. 'Lach, je bent in Tambo Grande'. Een mooi welkom. Nog meer welkom heet een groot Christusbeeld met gespreide armen ons op een heuvel in het dorp, net zo'n beeld als in Rio de Janeiro, Budapest, Santa Rosa in Bolivia en wie weet op welke plaatsen nog meer in de wereld, staat. Maar zover komen we niet. rechts van de weg is een restaurant dat ook bungalows verhuurt. We stoppen er en vinden een schitterende kamer, koude douche maar dat geeft niet, en zelfs wifi al werkt het niet meteen. We eten eerst maar eens een licht kippesoepje, dieta de pollo, dat helpt bijna altijd tegen maagproblemen.

Als we later die dag nog willen eten in het restaurant is het dicht. De bewaker raadt ons aan met een motortaxi naar het dorp te gaan, lopen is te gevaarlijk. Toch lopen we, helemaal donker is het niet. Maar om hem gerust te stellen komen we wel terug met een motortaxi die ons voor de deur van onze bungalow afzet. We hebben nergens zoveel motortaxi s gezien als hier in Tambo Grande en ze rijden allemaal voornamelijk leeg rond, op zoek naar klandizie.

Zaterdag 11 juli, Las Lomas

Warm en groen

'Gracias por la sonrisa que das a Tambo Grande, vuelve pronto' staat er op de andere kant van de watertoren als we het dorp verlaten. (Dank voor de glimlach die je naar Tambo Grande bracht, kom snel terug). We rijden verder richting Ecuador, nog steeds niet veel omhoog. Het is warm, helemaal onbewolkt, maar gelukkig wordt het steeds groener en zijn er bomen om af en toe in de schaduw bij te komen.

Cabana Tambo Grande

Hij heeft geen vrienden hier in het dorp, vertelt het jongetje dat ons op deze hete plek van koud bier voorziet. De mensen hier denken dat ze meer zijn dan anderen, dat bevalt hem niet. Hij zingt in een band en we krijgen alle cd's te horen, heel hard. Ik lees een boek van een Duitser (cadeau gekregen van een Duitse die het uit had en het niet verder mee wilde sjouwen) die door Zuid-Amerika reist en die betaalt af en toe om stilte te verkrijgen, dat lijkt ons nu ook wel wat. Het jongetje praat honderduit. Hij moet nog twee jaar naar school en daarna wil hij naar Europa. Hij vertelt over een fietser die hier omkwam, en dat het niet slim is om in het donker op deze weg te rijden. Maar dat zijn we ook helemaal niet van plan.

Motortaxis Tambo Grande

Ik krijg twee boekjes van hem cadeau, 'El Christo Mutilado' en 'La barra del olvidado'. Het eerste is een zelfhulpboek om je geloof beter te beleven, het tweede zijn gedichten van een schooljuf hier in Las Lomas. Nu kan ik, net als de Duitse auteur die een boek kreeg van een dichter in Peru, die met gedichten Pablo Neruda of Gabriela Mistral gaan vergelijken, en tot de conclusie komen dat dit niks is, maar dat vermoed ik zo al. Ik probeer nog te zeggen dat we op de fiets niet zoveel mee kunnen nemen, maar nee, ik moet ze accepteren. Frank doet almaar alsof hij niet goed Spaans verstaat, dus hij heeft de problemen die ik heb, niet.

We verblijven vandaag in Hostal KeLly in Las Lomas, aardige mensen die het runnen. Wel een kleine kamer, maar alles wat we nodig hebben is er, zelfs een ventilator en een televisie. We doen het nog even rustig aan en fietsten vandaag weer maar een uur of twee. Hopelijk is het mogen wat beter met Franks buik.

Eindelijk begrijp ik het, maar het heeft dus tot de laatste avond in Peru moeten duren. Je krijgt hier heel vaak, als je bier bestelt, een fles van 650 ml, twee glazen en een derde wat smoezeliger glas of een metalen beker. Het is duidelijk niet de bedoeling dat je daaruit drinkt, het ziet er te smoezelig uit. Het is de bedoeling dat je daar eerst een beetje bier in giet. Normaalgesproken giet je dat beetje bier op de grond, dat wist ik wel, en het is bedoeld om de goden gunstig te stemmen, maar tot vandaag heb ik niet begrepen dat je in esablissementen waar ze niet zo behept zijn met poetsmanies, dat beetje niet op de grond maar in dat smoezelige bekertje moet doen. Waarschijnlijk gooien ze het dan later buiten op de grond en blijven de goden ons toch gunstig gestemd terwijl de eigenaren van de etablissementen niet buitensporig veel moeten poetsen. Beter laat dan nooit.

Zondag 12 juli, Macara (Ecuador)

Grensformaliteiten

Geen ontbijt te krijgen in Las Lomas, dus eten we maar een banaan en kopen drie reuzegrote broodjes. Het is bewolkt als we wegrijden, maar gauw komt de zon door de wolken heen en wordt het heet, goed heet. De weg is goed en redelijk rustig, het is zondagmorgen, dat helpt misschien. Het is hier erg groen, we kunnen het ons bijna niet meer herinneren dat het ergens zo groen was, het merengebied in Chili of misschien wel de Carretera Austral. Vooral valt op dat we weer vogels zien en horen, felgekleurd, fluitend en schreeuwend.

We passeren een paar dorpjes, de mensen zwaaien en soms roept er een kind 'gringo'. Een kilometer of tien voor de grens stoppen we even om op adem te komen en komen er twee mannen op ons aflopen. Ze willen de gebruikelijke zaken weten, maar vertellen ook van alles over zichzelf. Ze werken in de mijn, boven op de berg, links. Het is een goudmijn. Dat verklaart de rollende olievaten met stenen die we onderweg zagen. Een van de mannen haalt zijn portemonnee te voorschijn en laat ons een goudkorreltje zien, naar zijn zeggen 24-karaats en 80 soles (20 euro) waard. Ze geven ons ten afscheid een hand en vertellen dat het nog zeven kilometer is naar de brug die de grens vormt tussen Peru en Ecuador. Dat klopt natuurlijk niet, het is tien kilometer, zoals wij dachten.

Bij de grens duren de formaliteiten even. Eerst naar de douane. Is alles in orde dan naar de politie, voor een nadere controle, een stempel op ons immigratieformulier, en dan weer terug naar de douane voor een stempel in ons paspoort. Dan pas mogen we door naar Ecuador. Daar vullen we eerst weer een immigratieformulier in en krijgen we een geprinte stempel in ons paspoort, lang zo mooi niet als de gekleurde echte stempels die we overal elders kregen.

Tweeenhalve kilometer verder is Macara, de eerste plaats in Ecuador. Er valt van alles op: er zijn meer huizen af dan in Peru, er zijn nauwelijks taxi's, al helemaal geen motortaxi's meer, er zitten vrouwen achter het stuur, er wordt minder getoeterd en de mensen zijn wat afstandelijker. We kiezen een hotel, schoon en het heeft alles, nou ja bijna alles, wat we wensen. Geen internet, dat is het enige. Op zondag is de plaats uitgestorven en we lopen het halve dorp af om ergens een pilsje te drinken. Later eten we in D'Marco, het enige restaurant dat we vonden, niet slecht maar wel veel duurder dan in Peru.

Maandag 13 juli, Sozoranga

Steil, zoals beloofd

Onze kamer heeft geen raam naar buiten en dus merken we nauwelijks dat het al dag is. Pas om acht uur staan we op. Als Frank een schoon paar sokken uit zijn tas haalt, springt er een beest uit. Hij wil hem in de wc deponeren, maar het beest rent de kamer in onder het bed. Een wilde achtervolging met een schoen volgt. Waarom? Het was een schorpioen. We zullen weten dat we in de tropen zijn.

Ecuador heeft een elektriciteitsnet op 110 Volt en dus duurt het lang eer onze dompelaar het water kokend heeft voor de koffie onderweg. Net na negen uur staan we buiten en gaan ontbijten bij een restaurant om de hoek, buiten op een terrasje. Ecuador is toch wat 'wereldser' dan Peru in dat opzicht. Prima ontbijt trouwens, sap, thee, brood met kaas en ham en roerei.

We rijden het dorp uit en bijna meteen gaat het goed omhoog, steil zoals beloofd door alle fietsers die vanuit het noorden kwamen. Het stijgingspercentage ligt vandaag tussen de 6 en 15%. Vonden we in Peru 8% lastig, hier is het makkelijk. Na 150 meter klimmen van Macara, dat op ongeveer 500 meter hoogte ligt, daalt de weg meer dan 100 meter en volgen we een tijdje de rivier.

Het is redelijk rustig op de weg, geen collectivo's, geen taxis, weinig bussen. Bij een qua grootte uit de hand gelopen kapelletje voor iemand die in 1920 al overleed -er branden vandaag op maandag kaarsen- drinken we koffie op een bankje in de schaduw. Daarna gaan we omhoog, alleen nog maar omhoog. De zon schijnt, het is heet en dus lastig. Om de vijftig meter klimmen, dat zien we op de fietscomputer die een hoogtemeter heeft (een barometer die we af en toe ijken met de informatie die de GPS ons verschaft), stoppen we om op adem te komen. Bij een van die stops, stopt er ook een auto en de bestuurder vindt het kennelijk interessant om zijn Engels te oefenen. Het is nog 5 minuten naar Sozoranga, met de auto, en hij denkt dat we dat in 25 a 30 minuten fietsen. Ook hier hebben de mensen geen idee van afstanden, net als in Bolivia en Peru. Het is nog minstens tien kilometer, en hij rijdt hier geen 120 km per uur. En wij geen 20, bij lange na niet. Zelfs de 5 km/h halen we niet op dit stuk.

Uiteindelijk, het is vier uur geweest, zijn we na 34,9 km met een gemiddelde snelheid van 7,6 km/h, in Sozoranga. Er is een basic hotel, meldde het SAH. De man in de auto noemde het so-so. We vragen ernaar en worden naar een winkel verwezen. Basic is het, maar als je Peru gewend bent valt het best mee. We betalen 8 dollar voor een kamer met een anderhalf-persoonsbed (maar dat is onze eigen schuld, die met grotere bedden vonden we te muf ruiken), maar wel met bano privado, koude douche en een doorspoel-wc met wc-papier. Veel beter en maar een beetje duurder dan we bijvoorbeeld in Conococha, Negro Mayo of Iscahuaca in Peru meemaakten.

Fris gewassen gaan we onze dorst lessen in een van de restaurantjes aan het Parque Central (zo heet hier In Ecuador wat ze andere landen de Plaza Mayor noemen). Een jongetje spreekt ons aan in het Amerikaans. Hij woont in New Jersey, zijn vader komt uit Ecuador en hij is hier op bezoek. De rest van de familie neemt ook deel aan het gesprek, dat wij proberen voornamelijk in het Spaans te voeren, maar het jongetje blijft hardnekkig Engels praten. Later eten we er ook, helemaal niet slecht, al is het weer kip met rijst, iets dat we in Peru ook altijd kregen in kleinere dorpen. We krijgen een stuk cake aangeboden, dat een van de tantes van het jongetje gebakken heeft en we proeven de lokale koffie, die heel lekker is. Onderweg zagen we koffiebonen liggen drogen bij een huis.

Dinsdag 14 juli, Cariamanga

Beroemd in Ecuador?

We staan vandaag op tijd op. De dagafstand is groter dan gisteren en het klimmen niet minder, beloofden ze ons gisteren. Om 10 voor 8 hebben we het ontbijt achter de kiezen en fietsen het dorp uit, omhoog. De weg blijft rustig, even kapot als gisteren en stijgt. Het is en blijft erg groen, er zijn veel bloemen en bomen. Verbazingwekkend eigenlijk het grote verschil met Peru, nog geen 50 km hiervandaan. Maar ze leggen zo'n grens ook niet zomaar op de plek waar die ligt, zegt Frank. We fietsen nu 100 meter omhoog en stoppen dan. Niet dat het makkelijker is dan gisteren, integendeel, maar als we in etappes van 50 meter fietsen schiet het niet genoeg op.

Groen Ecuador Groen Is Ecuador

Na dik anderhalf uur en acht kilometer, stopt er een auto. Een man in groen T-shirt stapt uit. Hij onderhoudt de motoren (?) in de telefooncentrales, vertelt hij. Het lastigste stuk hebben we gehad volgens hem. Het zijn altijd Hollanders die hier fietsen, vindt hij. Hij vraagt of hij een foto van ons bij de fietsen mag maken. Dat mag, en als hij hem gemaakt heeft, zegt hij dat hij hem aan de krant of de tv gaat verkopen. We zullen zien of we beroemd worden in heel Ecuador en omstreken. Eerst drinken we maar eens onze koffie.

Het wordt na de koffie inderdaad iets gemakkelijker, maar al met al duurt het toch tot 12 uur eer we bijna boven zijn, maar eerst moeten we lunchen voor de hongerklop toeslaat. We bereiken uiteindelijk 2630 meter hoogte en zien Cariamanga, het doel van vandaag aan de overkant van het dal al liggen. Gelukkig hoeven we niet het dal in, de weg draait rechts langs de berg naar de stad toe. Die ligt op 2000 meter, en omdat we tot 1800 meter daalden, moeten we het laatste stuk nog omhoog. Toch is het niet zo lastig als gisteren. We zijn er tegen drie uur.

Stenen bakken

Hier in Ecuador zijn veel meer stenen huizen dan in Peru. We zien vandaag onderweg een heleboel plekken waar de stenen gebakken worden. Ze worden wel van leem gemaakt, net als in Peru, maar daarna echt gebakken in grote ovens die we langs de weg zien roken.

Vreemde Parasieten In Boom

In Cariamanga aangekomen, vraagt Frank een straatveger waar het centrum is. De man wil het alleen vertellen tegen een beloning van 1 dollar. Nou mooi niet, daar beginnen we niet aan. We rijden door en een politieagent vraagt uit zichzelf of hij ons behulpzaam kan zijn. We zoeken een hotel, vertellen we. Hij loopt met ons mee naar een hotel uit de classe mediana, dat leek hem wel geschikt voor ons. Het is niet slecht, eigenlijk beter dan wat je in Peru voor deze prijs krijgt.

Woensdag 15 juli, Catamayo

Fabrica de queso y yogur

Weer staan we vroeg op en ontbijten op de kamer deze keer. Ecuador lijkt op Zwitserland en Slovenie qua landschap, lazen we ergens, en dat betekent dat ze er ook weer yoghurt hebben. Eindelijk komt die halve kilo musli die ik in Huaraz kocht van pas. En tijdens het ontbijt kan het koffiewater koken.

Weer rijden we om tien voor acht de stad uit. Zet de turbo maar aan, zei een taxihauffeur aan wie we de weg vroegen. We gaan dus omlaag, en steil ook, maar niet voor lang. Na 6,5 kilometer gaat het alweer omhoog, althans het slingert wat. Het is hier schitterend om te fietsen, wel steil, maar heel afwisselend, en dat is veel leuker dan eindeloos omhoog fietsen en s morgens al zien waar je aan het einde van de dag moet zijn. We drinken koffie op een brug waar weer eens een klaterend stroompje onderdoor gaat. Dat is lang geleden, Zuid-Chili misschien wel.

Zo groen is Ecuador

 

In Gonzanama is een fabrica waar ze yogur y queso verkopen, en daar leggen we even aan. De lunch is dus prima, broodjes, niet van die zoete zoals ze hier normaal hebben, maar zoute, verse kaas en yoghurt. Bijna vergeet ik dat ik elke dag droom van een bruine boterham met oude kaas. Na de lunch, die we op 2100 meter hoogte nuttigen, na de top op 2236 meter, dalen we voorlopig alleen nog maar. Er staan op een gegeven moment vreemde kale bomen, het lijken een soort knotwilgen, met vreemde bloemen langs de kant van de weg. Elke kilometer is anders, ook als je snel omlaag gaat. Het waait overigens wel hard vandaag, de zon schijnt nauwelijks en boven was het fris, maar Catamayo, het doel van vandaag ligt op 1200 meter hoogte, dus daar is het weer heet. In het dal wordt suikerriet geoogst, ook hier, maar meteen valt op dat het hier veel efficienter gebeurt dan in Peru. De stengels worden machinaal geoogst en netjes in gelid in een vrachtwagen die tamelijk afgesloten is, gedeponeerd. Er liggen dan ook lang zoveel stenges niet op de weg, maar misschien hoeven er hier ook geen mensen te leven van de opgeraapte stengels, zoals in Peru wel, vermoed ik. Ecuador is in alle opzichten rijker, wereldser en schoner dan Peru. Er ligt minder rotzooi, nog steeds wel te veel, maar minder, en ik heb hier nog echt pies geroken.

Suikerriet oogsten

Het eerste hotel keur ik af, het dorp heeft vast meer te bieden, en dat klopt. Gran Hotel MarchJohn heeft namelijk ook draadloos internet en daar zijn we wel zes dagen van verstoken geweest, dus dat wordt het. Morgen moeten we weer omhoog tot boven de 2000 meter, naar Loja, waar we een dag extra zullen blijven om de fietsen te onderhouden.

Vreemde Bomen met Bloemen

Groeten, Frank en Marianne

---------------------

Donderdag 16 juli, Loja

El viento

Oeps, daar valt mijn fiets om en vliegt mijn koffie over mijn kloffie. Dat laatste geeft niks, want er moet vandaag toch een lavanderia bezocht worden. Wat wel erg is, ik mis zo mijn koffie. Het waait hier hard, zo hard dat terwijl we koffie drinken aan de kant van de weg, mijn fiets omwaait. Als ik probeer dat tegen te houden, gooi ik de koffie over mezelf heen. Tja. later lezen we in een gidsje dat het hier vanaf mei tot november hard kan waaien. Dat klopt dus.

Van Catamayo naar Loja is maar (!) 35 km, zegt de kaart en de GPS zegt 35 (uiteindelijk blijken het 38 km te zijn). We moeten van 1280 naar 2070 meter hoogte, maar weten niet dat we daarvoor over 2600 meter hoogte heen moeten. Het is fiks klimmen dus vandaag en over een drukkere weg dan de afgelopen dagen. Ik ben blij dat we deze weg niet vanaf Macara al volgden. Was het de laatste paar dagen voornamelijk tropisch qua aanblik, nu is het voornamelijk droog, er is weinig interessante begroeiing meer.

Loja is de eerste grote stad die we aandoen in Ecuador en dit bevestigt het beeld dat we al hadden: Ecuador is wereldser en moderner dan Peru, opgeruimder, schoner en er zijn meer nette winkels en restaurants. We rijden naar het hotel van onze keuze en worden meteen door een insmijter de garage in gedirigeerd. Ik had eerst de kamer willen zien, willen weten hoe duur het is en zo, maar vooruit. Het is prima, zo'n mooi grote luxe kamer hebben we nog niet gehad.

 

Vrijdag 17 juli, Loja

Luz de dia

Het is even zoeken waar we vandaag de kettingen van de fietsen zullen vervangen. De garage onder het hotel, waar de fietsen staan, vinden we te donker, we hebben luz de dia nodig voor dit werkje. We vragen naar een parking waar het zou kunnen,maar de man achter de balie begrijpt ons niet en wil ons naar een Parque kilometers verder sturen. Uiteindelijk gaan we zelf zoeken en vinden een parkeerplaats, tussen de huizen in, waar zeven (!) mannen de boel al kaartend bewaken. Daar mogen we aan de slag. Omdat ze om twaalf uur moeten gaan lunchen (heel belangrijk hier) maken we alleen de kettingen en de draaiende onderdelen schoon en doen de rest later die middag in het donker in de garage.

Verder doen we niet zo veel vandaag. Een beetje door de stad lopen, koloniale gebouwen bekijken, wat eten, koffie drinken, op de kamer bellen met deze en gene, weer drinken en eten en dan naar bed. Morgen is het weer niet gemakkelijk en we willen op tijd op.

Zaterdag 18 juli, Saraguro

Nog beroemder

We zijn als eersten bij het ontbijt, maar toch niet vroeg genoeg weg, blijkt later. De stad uit, broodjes kopen, een supermarkt is niet te vinden, dus maar hopen dat we vanavond Saraguro halen en in een restaurant kunnen eten. We gaan meteen omhoog. Het weer is niet geweldig, bewolkt, donkere wolken zelfs, en het waait weer hard. Na anderhalf uur drinken we koffie.


Als we daarna een eindje gefietst hebben, stopt een rode auto die van de andere kant komt. Een man gaat met een enorme telelens achter het achterwiel zitten. Dit beeld herken ik nu wel, dat deden die televisiemensen net voor Rio Grande op Vuurland ook, alleen stopte ik toen te vroeg omdat ik het niet door had. Nu rijd ik door en worden er foto's gemaakt. Er stapt ook een meisje met een notitieblokje uit en begint vragen te stellen. De man gaat door met foto's maken. Ze werken voor een toeristisch tijdschrift, VistalSur. Enfin, ze willen van alles weten, waar we vandaan komen, hoe lang we al onderweg zijn, waar we gestart zijn, hoe lang we nog onderweg zijn, en waarheen. Wat in al die landen de mooiste plekken waren. Welke plek in Ecuador het mooiste is. Dat laatste weten we nog niet. Ik geef haar mijn emailadres dan kan ze het over pakweg anderhalve maand nog eens vragen, dan hebben we heel Ecuador wel gehad. Natuurlijk willen ze ook onze leeftijden weten. dat schijnt toch wel bijzonder te zijn, twee van die grijze plukken op de fiets. Wij krijgen het ook koud, het meisje stond al die tijd al te klappertanden, en maken een einde aan het interview. Er worden nog steeds foto's gemaakt als we wegfietsen. Ik ben benieuwd of we het resultaat ooit te zien krijgen. Ik heb ons adres opgegeven.


We hebben het zo koud dat we lange broeken en windjacks aan doen. Verder naar boven begint het nog te regenen ook, van het soort dat ze in Schotland heavy mist noemen, maar we worden er wel goed nat van in de eerste afdaling. In een bushokje, die hebben ze hier weer, eten we een broodje. Om iets te drinken is het te koud. Met regenjassen aan gaan we verder omlaag, dan 150 meter omhoog en weer omlaag. Daarna komen de echte cols van vandaag pas. Maar liefst drie keer komen we aan de 2950 meter hoogte. Het is lastig, koud en winderig en de weg is over hele stukken opgebroken om hem te vernieuwen. Al met al bereiken we na een klein maar koud afdalinkje Saraguro pas om kwart over zes, na 73km en volgens mijn hoogte meter in totaal 2287 meter klimmen, met gevoelloze handen en voeten. Het eerste hostal dat we tegenkomen heeft warm water dus daar stoppen we. Het duurt lang eer het gevoel weer terugkomt en meteen komt ook de dorst en de honger opzetten. In het dorp eten we soep, en kip met rijst, net als Peru maar hier wel altijd met mes en vork. We krijgen per tafel maar een pilsje, meer zijn er niet vandaag, dus ik drink maar cola. Later kopen we nog twee bier die we op de kamer opdrinken.


Zondag 19 juli, Saraguro

Zwart

Nog voor de wekker afloopt hebben we besloten vandaag even niet verder te fietsen. Het lijf is er nog niet aan toe na de ontberingen van gisteren. Dat geeft ons mooi de gelegenheid dit bijzondere dorp wat beter te bekijken. Er is bovendien een kleurrijke markt op zondag, dus die pikken we dan mooi ook mee.


De bevolking,die van de Inca's afstamt, is hier in het zwart gekleed. De mannen hebben korte broeken aan, tot aan de knie of net iets erover. Eronder sokken, soms witte, meestal donkere, en schoenen. Eroverheen kan een soort werkschort van ongebleekt katoen, die uitloopt in twee enkelbanden, maar van achteren open blijft, maar dat hebben we maar een keer gezien. Verder hebben ze allemaal een meestal zwarte poncho aan, maar soms ook gewoon een gekleurd Nike-jack of zo.

Familie In Het Zwart In Sarguro

De vrouwen zijn ook in het zwart, Ze hebben een zwarte, meestal enkellange rok aan, maar soms ook een die tot net onder de knie komt. Die rok heeft een kleurig geborduurde rand. Daar gaat een zwart schort overheen, zodat je die geborduurde rand alleen ziet als ze lopen. Ze hebben mooie kraagloze blouses aan, van een kleur die past bij de geborduurde rand van de rok. Daarop dragen ze een kleurige ketting van kleine kraaltjes die als een soort kraag dienst doet. Het is het soort dat ze ook in het graf van de Heer van Sipan vonden. Het geheel wordt gecompleteerd door een zwarte omslagdoek die met een zilveren speld met een gekleurde steen erin bij elkaar wordt gehouden.

Man Met Zwarte Boek En Overbroek

Mannen en vrouwen hebben een zelfde soort zwarte vilten pothoed of een zwart bolhoedje op en hebben beiden lang haar, in een staart of een vlecht, of heel soms, en dan de alleen de vrouwen, twee vlechten. Je ziet ook kinderen, vooral meisjes die zo gekleed gaan. De jongetjes houden het bij alleen de kniebroek. Al met al een heel bijzonder beeld dat we de hele ochtend op de plaza en de markt volop kunnen waarnemen en ook fotograferen. De mensen zijn hier kennelijk toeristen gewend, al zien wij er vandaag niet veel.

Man Met IJsje In Saraguro

De markt is schitterend. Heel veel fruit, hele grote bananen van wel 50 cm lang en ook soorten fruit die we niet kennen. En het is lang geleden dat we zoveel groenten en verse kruiden gezien hebben. Er is ook veel verse vis, terwijl hier toch 2500 meter hoog en al gauw 200 km van de kust vandaan zitten. Er zijn mensen die hun waren aanprijzen en al vanaf Bolivia doen ze dat met een eenzelfde soort indringende stem. Ik verdenk ze ervan dat ze, als ze gewoon praten, een andere stem hebben. Als we later die middag hoog boven het dorp op een heuvel geklommen zijn, horen we nog een man zijn pantalones aanprijzen. inmiddels quatro por cinco, vanmorgen waren het er nog tres por cinco. Dolares want eigen geld hebben de Ecuadorianen niet meer.

Markt In Saraguro

Meel Verkopen Op Markt In Saraguro


Twee Vrouwen Voor De Kerk In Saraguro

Verse Vis In Saraguro

 

Maandag 20 juli, Cuenca

Tussen de engelen

vandaag fietsen we weer. Het is niet zo lastig als zaterdag tot Ona. eerst een stukje omlaag, dan ongeveer 800 meter omhoog en weer 700 omlaag. Maar dit is Ecuador, dus wel steil. het weer is goed, de weg is goed en redelijk rustig. We fietsen door een landschap dat op Zuid-Frankrijk en Noord-Spanje lijkt. Veel pijnbomen maar toch ook veel struiken en bloemen die wij niet kennen.

Het schiet redelijk op en om twee uur zijn we al in San Felipe de Ona. In plaats van hier te overnachten en morgen de bus te nemen naar Cuenca (we vinden niets dat op een overnachtingsmogelijkheid lijkt op 3450 meter en in die mist hier is kamperen niet zo aangenaam) kunnen we ook nu die bus al nemen, besluiten we. Zo komt het dat we nu tussen de engelen zitten. nee, niet in de hemel, maar in de Posada del Angel, een herberg in een oud koloniaal pand volgehangen met schilderijen en beeldjes van engelen. Morgen blijven we in Cuenca om de stad te bezichtigen. Het is een mooie oude stad is onze eerste indruk toen we er doorheen fietsten op zoek naar de engelen.

Groeten,

Frank en Marianne

----------------

Dinsdag 21 juli, Cuenca

Kerken en nog eens kerken

Cuenca is de derde stad van Ecuador en ligt op 2500 meter hoogte. Toch is het er niet koud want de zon schijnt volop. We lopen vanmorgen eerst naar de Bajada de Todos Santos. Daar zijn resten van bouwwerken van de Canari's en de Inca's en er vlak bij bouwden de Spanjaarden later de kerk van alle heiligen. De Canari's werden door de Inca's overwonnen. Het is dicht maar over de muur zien we toch de bouwwerken. lang zo groot en indrukwekkend niet als in Peru. We duidelijk is dat de Canari-muur op een andere manier gebouwd is dan de Inca-muren.


1nca Ruines Cuenca

Daarna lopen we door de stad en gaan alle kerken die we tegenkomen en die open zijn binnen. Veel goud, veel heiligenbeelden en pompeus gedoe, echt mooi vinden we het niet. Wat opvalt is dat er altijd, wanneer je ook een kerk binnengaat, mensen zitten te bidden. Buiten staan mensen die kaarsen en religieuze afbeeldingen verkopen. Een katholiek werelddeel is het Zuid-Amerika. In een van de kerken staat ook een meer dan levensgroot beeld van JP-2, die nog niet zo lang geleden heilig is verklaard. Dat hebben we ook nog niet eerder gezien.


Bloemenmarkt Cuenca

De rest van de dag brengen we door met uitrusten en proberen mijn maag weer tot rust te brengen. Telkens als ik iets anders eet dan rijst met kip in een simpel restaurant, bijvoorbeeld Italiaans gisterenavond, krijg ik er last van. Vandaag maar weer alleen toast en water, misschien een soepje vanavond, dan moet het morgen maar weer over zijn.

We gaan wel nog even naar een grote supermarkt. Dat is toch wat handiger boodschappen doen dan in de kleine winkeltjes naar alles moeten vragen.

Woensdag 22 juli, Azogues

Kleinkinderen

We verslapen ons, maar erg is dat niet. We gaan vandaag maar tot Azogues, 31 km verder naar het noorden, en dan de dag erna over 3450 m naar Canar. In een keer naar Canar zou te ver zijn voor een dag.

We zitten aan het ontbijt met een hele club Nederlanders die hier ook al twee dagen zijn. Tot nu toe hebben ze niet door gehad dat wij ook uit Nederland komen, maar als we de fietsen aan het opladen zijn, komen ze een praatje maken. Een familie met twee kinderen is het meest geinteresseerd. De vader van de vrouw is lid van de Wereldfietser, en dat schept kennelijk een band. Een mooie variant op de vraag naar kinderen, die we hier zo vaak gesteld krijgen, komt van het meisje. 'Heeft u ook kleinkinderen die trots op u zijn?' Tja, dat is weer eens wat anders. De man maakt foto's van ons als we wegfietsen en belooft ze op te sturen naar het blad

Als we bijna een kilometer van het hotel verwijderd zijn bedenk ik dat de helft van ons handig fietswerktuigje wel eens nog in het hotel kon liggen. En inderdaad, dat blijkt zo te zijn. Terug dus maar weer. Daarna rijden we in een keer goed de stad uit, dankzij Frank natuurlijk, mijn postduivenrichtinggevoel had ons nergens gebracht. Een man wijst ons de via antigua, de oude weg, naar Azogues, die is rustiger dan de autopista. We blijven lang dalen, alleen het laaste stuk gaat weer omhoog. De weg voert ons langs de rivier. Er blijft bebouwing langs de weg, veel grote huizen vlakbij Cuenca, een paar motels van het soort waar je snel je auto achter een gordijn kunt parkeren (zodat niemand ziet dat je daar bent) en een paar nachtclubs.

Azogues is een redelijk grote stad en zoals verwacht vinden we een hostal. Aan de Plaza, een beetje basic na de Engelenherberg, maar dat geeft niet. Er is warm water, dat is al heel wat.


Uitzicht Vanuit Hostal In Azogues

De kegels vliegen door de lucht, de jongen die ze gooit staat voor de auto's die voor het rode stoplicht staan te wachten. Dit zagen we in Peru ook heel vaak, jongens die hun kunsten vertonen voor de auto's die stilstaan bij een stoplicht. Jongleren, vuurspuwen, allerlei acrobatische oefeningen zoals salto's maken. Vooral de hele jonge kinderen doen dat laatste. Ze weten kennelijk feilloos wanneer de auto's weer gaan rijden, want 10 seconden daarvoor lopen ze op de auto's af en hopen zo een paar centen te vangen. Deze jongleur heeft op de stoep een tas liggen met daarop wat munten, halve dollars zijn de grootste. Op zich een veel betere manier om wat geld te verzamelen dan bedelen, wat je hier ook ziet. Maar ja, niet iedereen kan zoiets natuurljk. Ik vraag me trouwens af of er nooit ongelukken gebeuren, vooral in Lima met het drukke verkeer moet het haast wel eens fout gaan.

 

Donderdag 23 juli, Canar

Ontdooien in de tropen

De hele nacht door, elk uur, gaat het alarm af van een auto die kennelijk ergens op de plaza staat en blijft vervolgens zo'n 10 minuten loeien. Niemand doet er wat aan, erg hinderlijk. We slapen dus niet al te best. Toch staan we geholpen door twee wekkers om half zeven op. Om half acht ontbijten we in het enige restaurant dat we gisteren open troffen. Nog net voor acht uur rijden we daar weg, de stad uit en omhoog. Dat blijft voorlopig ook zo, en omdat het Ecuador is, met liefst 6% tot 12% omhoog. Hier maken we allang geen etappes van 50 meter stijgen meer, het zou te weinig opschieten, we stoppen hier om de 100 meter.

Het weer is niet zo mooi als gisteren, bewolkt en op een gegeven moment regent het zelfs wat. Gaandeweg wordt het ook steeds kouder en we willen eigenlijk wel binnen ergens een kopje thee drinken. maar hoewel er diverse etablissementen van alles aanbieden op borden langs de weg, is er geen een open. Dan zetten we ons maar op de stoep van een dicht restaurant en drinken onze eigen thee. Als ze dan niks willen verdienen moeten ze het zelf maar weten.

We zijn inmiddels de 3000 meter alweer gepasseerd. De weg is druk, te druk om het leuk te vinden. Een eindje na de thee is er een opstopping, er wordt aan de weg gewerkt en er is maar een rijstrook beschikbaar. We halen een hele rij stilstaande auto's in, die ons weer inhalen op die ene smalle rijstrook als onze kant weer mag gaan rijden. Het is een klere-eind, dat stuk dat ze onder handen hebben, en helaas komen de auto's alweer van de andere kant voor wij de hindernis gepasseerd zijn. We vluchten de nieuwe rijstrook op, maar ook daar zijn we niet veilig want sommige gekken rijden daarop hoewel dat niet de bedoeling is. Enfin, eenmaal boven, op 3520 meter hoogte, zegt de jongen die daar het verkeer tegenhoudt, dat het alleen nog maar omlaag is. Dat is natuurlijk niet helemaal waar, we halen de 3565 meter nog, maar daarna dalen we snel naar Canar. Ondanks de jassen die we aandoen komen we koud en met dooie vingers aan in Canar.op 3100 meter.

Het hostal dat we uit het boekje haalden dat we in Loja kregen, stelt veel minder voor dan de plaatjes suggereren. We kijken verder en vinden verderop een duurdere, maar veel betere plek. Prima warme douche, die ook hard nodig is om te ontdooien. Vreemd eigenlijk, we zijn nog maar een paar graden van de evenaar vandaan, dik in de tropen, maar je kunt hier best handschoenen aan en een muts op.

 

Vrijdag 24 juli, Chunchi

Blaffende honden

Als we om half acht beneden komen, zijn er geen dames die het ontbijt verzorgen, hoewel dat wel beloofd was. Misschien dat ze om acht uur komen, zegt de baas van het hotel, maar daar wachten we niet op. Dus zijn we vandaag voor acht uur op pad. Eerst omlaag tot El Tambo, waar we in een restaurant alsnog ontbijten. Desayuno Continental heet dat: sap, een broodje met kaas, thee (willen wij altijd in plaats van melk) en twee zacht gekookte eieren. Daar kunnen we even op vooruit.

Het is een afwisselende etappe, omhoog, omlaag, zon, geen zon, in de wolken, uit de wolken. Het uitzicht is zoals de laatste dagen, groene valleien, koeien, af en toe een varken, soms een die langs de weg gebraden wordt, en veel blaffende honden. Dat laatste is lastig als ze al blaffend ahter je aan komen rennen. Soms bijten ze zich vast in mijn fietstassen en ga ik gevaarlijk slingeren. Meestal helpt het wel om ze heel hard en heel boos toe te schreeuwen, bij voorkeur in het Limburgs. Wat ook helpt is afstappen, dan weten ze ook niet wat ze aan je hebben. Dat doet Frank meestal.

Varken Onderweg


Na 68 km zijn we in Chunchi, het eindpunt van vandaag op 2300 meter hoogte. Weer is het hotel in het boekje veel mooier dan in werkelijkheid, het is een beetje vergane glorie, of ze kunnen hier de boel niet bijhouden, dat kan ook. Maar duur is het niet en alles is er, warm water, een tv om de samenvatting van de touretappe van vandaag te zien (al blijkt later het juiste kanaal daarvoor niet op deze kabel), en zelfs wifi al krijg ik mijn computer niet aan het net. Die van Frank wel. Groeten, Frank en Marianne

----------------

Zaterdag 25 juli, San Pedro de Alausi

Lleno!

Als we de fietsen opgepakt hebben, komt er iemand vragen of we nog willen ontbijten. Dan doen we dan maar. Als we gaan betalen moeten we ineens voor het internet betalen, terwijl de man die ons gisteren binnenliet zei dat het inbegrepen was. Nou Ja. Daarna kopen we broodjes voor onderweg en rijden het dorp uit. Weer omhoog natuurlijk. De eerste col bereiken we na 150 meter klimmen, dan gaat het omlaag, gelukkig over een prachtige nieuwe asfaltweg, de strepen zijn nog niet getrokken.

Alausi

Halverwege de volgende klim wordt er aan de weg gewerkt. Het is erg stoffig en we moeten het grootste deel van die klim lopen, het is te steil om te fietsen. Twaalf procent met deze hoeveelheid bagage op een onverharde weg en dan een flink eind, dat trekken we niet. Gelukkig is ook deze klim maar 150 meter omhoog en voor de afdaling begint is de weg weer keurig verhard. Aan de overkant van het dal zien we de weg alweer omhoog gaan, dit keer een eindje verder, namelijk 400 meter. Gelukkig is dit stuk niet zo lastig.

Boven De Wolken Op De Top Voor Alausi

Bovengekomen waaien de wolken alweer over de rand het volgende dal in. Ik verwacht dat het net als gisteren koud en klam zal worden, maar dat valt mee. We zien Alausi, voluit San Pedro de Alausi, al liggen. We dalen snel en rijden eerst wat rond in de stad, die er aardig uitziet. Na wat zoeken vinden we de hosteria, onze eerste keuze, maar helaas is het lleno (vol). De man wijst ons een nieuw hostal een eindje boven de stad. Hij kent het niet, maar het is nieuw, zegt hij. Alsof dat de kwaliteit aangeeft. Met veel moeite klauteren we ernaartoe, maar er is niemand, bovendien ruikt het er muf en ziet het toch niet zo aangenaam uit als vanaf beneden leek. Terug naar het dorp, waar het Bed & Breakfast, dat te koop stond in het boekje waarin we het vonden, ook al geen sjoege geeft. Een man in een pick-up, pikt ons up en wil ons in zijn hotel hebben. Maar eerst gaan wij nog naar het hotel dat onze derde keuze is. Helaas ook dat is vol, dus terug naar de man met de pick up en daar checken we dan maar in. Tja, het is kennelijk een toeristisch dorp, Alausi, zo vol hebben we het nog niet meegemaakt.

Bouwland op 2700 Meter Hoogte

Zondag 26 juli, San Pedro de Alausi

El nariz del diablo

We staan op tijd op, voor een dag zonder fietsen althans. Ontbijt is er vanaf 8 uur, dus klokslag acht uur zitten wij beneden in het restaurant en deze keer klopt het. Meteen na het ontbijt lopen we naar het station om een kaartje te bemachtigen voor een ritje over de Nariz del Diablo, de Neus van de Duivel. Dat is de reden dat we hier een dag blijven. Het schijnt een spectaculaire treinreis te zijn.

Treintje Van Alausi Naar Sibamba

Er staat een lange rij voor de deur van het station. De kaartverkoop begint om half tien maar je moest er wat eerder zijn volgens het South American Handbook. Nou kwart voor negen is al ruim aan de late kant, blijkt. Enfin we staan, hangen en zitten tot 12 uur (!) in de rij, mogen dan eindelijk naar binnen, waar ... gewoon weer een nieuwe rij begint. Het is bijna een lachwekkende vertoning, want meer dan een man of 75 is de rij niet lang. Waarom het dan toch zo lang moet duren eer je je kaartje hebt, is onbegrijpelijk. Frank kwam halverwege het wachten nog op het lumineuze idee om de paspoorten te gaan halen. Gelukkig maar, anders hadden we niet eens een kaartje gekregen. Om half een is het zover, we hebben een kaartje! Maar er staat geen tijd van vertrek op. Dus ik vraag dat voor alle zekerheid. 'Ahora', is het antwoord en we worden meteen het perron op gedirigeerd.

Zigzag In Rails Bij Duivelsneus

De trein is maar een treinstel lang, waar een man of 35 in kunnen. Na vijf minuten begint hij te rijden, eerst een stukje door het dorp, toeterend met zo'n echte stoomfluit waar je aan moet trekken, voor kruisingen met straten. Een vrachwagen schiet nog net voor de trein langs. Het spoor is in 1908 aangelegd, het is smalspoor en gaat voor een treinrails steil omhoog, namelijk met 5,5%. (Normaal gaat een spoor nooit met meer dan 2,5% omhoog.)

De uitzichten op het dal zijn spectaculair, je kijkt af en toe zo vanuit het raampje 300 meter de diepte in. Op de berg waar de trein zijn naam aan ontleend, is er een stuk waar geen bochten aangelegd konden worden, dus daar gaat de trein eerst rechtdoor, dan achteruit de berg af, dan weer vooruit verder. Het eindpunt is een station, Sibambe. Daar draait de trein en mogen we er even uit om fotos te maken. De trein gaat via dezelfde route weer terug, nu achteruit de berg op. Hij heeft kennelijk een tweede versnelling achteruit. Er is een zijspoor waar ons tegemoetkomende treinen kunnen wachten tot wij voorbij zijn. Het moet een geweldige inspanning geweest zijn om dit aan te leggen, daar moet je bewondering voor hebben, maar de manier waarop het nu gexploiteerd wordt is om te huilen. In Peru was alles zo efficient georganiseerd, daar moeten die Ecuadorianen maar eens in de leer gaan.


Maandag 27 juli, Guamote

Diez mille

Op maandag is het restaurant later open dan op zondag, pas om half negen kunnen we ontbijten. Dus rijden we pas om negen uur het dal uit waarin Alausi ligt. Steil omhoog eerst door de stad, maar ook erbuiten is het niet mis. De eerste 8 km stijgen we 700 meter. Er zijn stukken van 11, 12 en zelfs 15%, die moeten we lopen. De eerste col is 3000 meter hoog.

Na de afdaling bij Tixan stoppen we even. Een man met een stok komt de weg oversteken en een praatje maken. Gebeurde dat in Peru geregeld, hier is het een uitzondering. Als hij hoort dat we uit Nederland komen, begint hij over een Ecuadoriaanse voetballer die bij PSV speelt, te praten. Mendez of Mentez heet die. Kijk zover afgekoppeld zijn we nu al dat we dat niet weten. Of zou hij pas in deze transferperiode gekomen zijn? De man wijst naar boven, die col moeten we nog over en dan nog een en daarna is de rest eenvoudig. Todo plano.

 

We zijn nog maar nauwelijks op weg naar de eerste col of we moeten al weer lopen,dit keer niet omdat het te steil is, hier is 5 tot 8% en in principe gewoon te fietsen, maar helaas, de wind die hier alleen en verano waait, zoals de man vertelde, hebben we goed hard tegen. Het is hier al een poosje wat verwarrend wat zomer en winter betreft. Hoewel we nog op het zuidelijk halfrond zijn, heet het hier en ook in Huaraz bijvoorbeeld, zomer. Dat komt omdat het nu in juli en augustus beter weer is dan in januari en februari. Dan is het mistig en bewolkt namelijk, nu schijnt de zon meer. Vandaag in ieder geval wel.

Na 22 km en vier uur fietsen en lopen bereiken we de derde top van vandaag, op maar liefst 3392 meter hoogte. Daarna gaan we nog af en toe wat omhoog maar toch voornamelijk omlaag. In een van die afdalingen stoppen we abrupt om een heuglijke gebeurtenis te memoreren: we passeren namelijk het 10.000km-punt. Dat moet vastgelegd worden.

Tienduizend Km Punt

Dit brengt ons, Frank met name, op het idee, om een prijsvraag (met mooie prijzen uiteraard) uit te schrijven. Als we over ongeveer drie maanden in Caracas op het vliegtuig stappen, hoeveel kilometer zullen we dan afgelegd hebben? We weten het zelf uiteraard ook nog niet, dus de winnaar kan pas na afloop bekend gemaakt worden. Inzenden kan via e-mail tot 1 september.

Tien Tot De Macht Vier

Daarna is het nog een klein stukje naar Guamote, een wat wonderlijk dorp, veel steile straatjes met enorme keien bestraat. De helft van de straten is opgebroken. Het is even zoeken maar na twee keer vragen vinden we Hotel Ramada Internacional. Dat klinkt heel wat, maar het is gewoon een standaard Ecuadoriaans hotelletje, met redelijk warm water en tv, voor de standaard prijs. Morgen zijn we in Riobamba, daar is weer een wat luxer onderkomen te vinden hopen we.


Dinsdag 28 juli, Riobamba

Opnieuw quinoa

Vanaf hier tot Riobamba is het todo plano, zegt de man van Hotel Ramada die ons uitlaat vanmorgen. Dat kennen we. Na een klein stukje omlaag gaan we toch weer de berg op, zoals we al vermoeden. Op 3300 meter hoogte groeit hier alweer quinoa. Het is lang geleden dat we dat zagen. In Bolivia vertelde Macedonio ons dat het boven de 4000 meter groeide, in Peru hadden ze het over 3500 meter. Onderweg drinken we koffie en knip ik Franks haar. Dat was weer eens hard nodig. Bij een cementfabriek lunchen we en daarna is het alleen nog maar omlaag tot Riobamba. Het is een heel eind tot we bij het centrum zijn en het hotel dat we uitzochten tegenkomen. De eerste kamer die ze ons geven heeft geen internet, dus willen we een andere.

Mercadi In Riobamba

Riobamba is een redelijk grote stad. Het doet wat rommelig aan als je de stad binnenrijdt en in het centrum is het druk. Morgen gaan we het wat nader bekijken, vandaag doen we niet zoveel meer dan de was inleveren en drinken en eten. Mijn maag lijkt eindelijk weer in orde, ik heb tenminste weer overal zin in. En 2700 meter hoogte, waar Riobamba ligt, moet ook garant staan voor de juiste hoeveelheid eten. Gisteren in Guamote (boven de 3000 meter) aten we allebei ons bordje niet leeg.

Groeten,

Frank en Marianne

-------------------------

Nog even over de prijsvraag. Het gaat natuurlijk om de hoeveelheid kilometers die de fietscomputer geregistreerd heeft als we in Caracas op het vliegtuig stappen, buskilometers tellen niet mee. Graag uiterlijk voor 1 september insturen.

-----------------------------

Woensdag 29 juli, Riobamba

Poncho's

Sinds we in Ecuador zijn, zien we veel mensen, mannen voornamelijk, met poncho's aan. In Peru en Bolivia zag je er wel eens een. Meestal zijn die poncho's rood. Nu associeerden we poncho's altijd met indianen in Zuid-Amerika, maar wat we niet wisten, is dat het kledingstuk geen deel uitmaakt van de oorspronkelijke klederdracht. Net als de bolhoedjes in Bolivia en Peru die door een Italiaan hierheen gebracht werden, en de (niet meer bol- maar eerder pot- en gleuf-)hoeden die de vrouwen hier dragen en waarschijnlijk ook rond die tijd ergens uit Europa kwamen, zijn de indianen poncho's pas gaan dragen toen de Spanjaarden hier paarden geintroduceerd hadden. Men had een warm kledingstuk nodig dat de armen voldoende vrijliet om het paard onder controle te kunnen houden.

Ik dacht trouwens ook dat eucalypti, die je hier weer veel ziet, tot de oorspronkelijke begroeiing in Zuid-Amerika zouden behoren, maar ook die zijn pas 150 jaar geleden geintroduceerd. Zo leer je elke dag weer wat nieuws.

We lopen wat door de stad. Riobamba is een koloniale stad. Er zijn weliswaar niet zoveel kerken als in Cuenca, maar toch nog steeds heel wat. De kathedraal, vreemd genoeg niet de grootste kerk, heeft een wonderlijk modern interieur. Verder zijn er veel gebouwen in koloniale stijl opgetrokken. Het merendeel daarvan dateert van 1840 tot 1940.

Het is redelijk druk in de stad, zeker voor een woensdagmorgen. Je vraagt je af of de mensen niet hoeven te werken. (Maar dat vraag ik me ook altijd af als ik op een doordeweekse dag in Eindhoven verzeild raak.)

Riobamba ligt heel centraal voor toeristische uitstappen naar de bergen. De hoogste berg van Ecuador, de vulkaan Chimbarzo (6310 meter, de derde berg van Zuid-Amerika), ligt hier vlakbij. Vanuit onze hotelkamer kunnen we de voet van deze besneeuwde kegelvulkaan zien, maar helaas zijn er steeds wolken om de top. Het wodt weliswaar steeds zonniger in de loop van de dag, maar helemaal zichtbaar wordt hij niet.

Een andere vulkaan hier vlakbij, de Tungurahua, is op dit moment actief. Helaas voor ons betekent dat dat we niet naar Baos (dat op 1800 meter ligt), waar warmwaterbronnen zijn, kunnen vanuit Riobamba. Die weg is afgesloten. Je kunt er wel komen vanuit Ambato, waar we morgen naar toe gaan, maar of we dan dezelfde weg heen en terug (omlaag en weer omhoog) gaan fietsen, weten we nog niet. Misschien is er wel een mooie excursie te regelen vanuit Ambato, waarin we ook een stukje oerwoud kunnen meepikken. We gaan het morgen bekijken, maar daarvoor moeten we eerst weer even over 3600 meter.


Donderdag 30 juli, Ambato

Toch naar Baos op de fiets

Over 3622 meter gaan we om precies te zijn. De klim is niet moeilijk, nergens hoeven we te lopen. Wel wordt het steeds frisser en verdwijnt de zon steeds verder achter donkere wolken. Als we eenmaal boven zijn en in de berm een broodje eten, begint het zelfs te regenen. Met jassen aan, lange broeken aan, mutsen op en handschoenen aan kan er afgedaald worden, Zo'n duizend meter maar liefst. Het laatste stuk voert ons door de buitenwijken van Ambato. Het wordt steeds warmer.

Chimbarazo Op De Top In De Wolken Op 3622m

Ambato is in 1949 compleet verwoest door een aardbeving. Alles is opnieuw opgebouwd. Het is een moderne stad en we gaan er naar hotel Ambato, een modern hotel dicht bij het centrum. Bij een pilsje bedenken we dat we morgen toch met de fiets naar Baos zullen gaan en daarvandaan het oerwoud bezoeken. We hebben de tijd ervoor en moeilijker dan vandaag zal het niet zijn, vermoeden we. We wilen proberen om een deel van de bagage hier in het hotel te laten, we komen hier immers weer terug. Daarna is het nog twee dagen fietsen naar Quito.


Vrijdag 31 juli, Baos

Vier maal is meer dan scheepsrecht

Na het ontbijt laten we twee tassen met spullen die we niet nodig hebben achter in het hotel en fietsen de stad uit. Eerst omhoog natuurlijk, het gat uit waar de stad in ligt. De weg is erg druk, maar breed genoeg aanvankelijk. Later is een stuk afgesloten wegens werkzaamheden, het zal ook eens niet het geval zijn, en moeten we door een paar dorpjes over hele smalle wegen. Echt leuk wordt het pas als we aan de afdaling beginnen en de weg veel minder druk is. Veel sneller dan verwacht zijn we in Baos.

Baos is een erg toeristische plaats, het Valkenburg van Ecuador zogezegd. Er zijn bijna meer hotels dan gewone woonhuizen. We gaan naar Posada del Arte, een hotel dat gerund wordt door Jim en zijn vrouw uit de VS. Veel hotels en restaurants zijn hier in handen van niet-Ecuadorianen. Jim is ook fietser. Onze fietsen staan ergens boven op een balkon en wij krijgen een klein kamertje maar kunnen morgen verhuizen naar een grotere.

Als ik de computer opstart is er een email van Sven en Dorothee, de Duitse fietsers die we eerder in San Juan (A), Potosi (B) en Nasca (P) ontmoetten. Zij zijn vandaag ook nog in Baos. Als we naar hun hotel gaan, zijn ze er niet. De mevrouw bij de receptie maakt de volgende opmerking in de serie als we naar hen vragen. 'Ustedes quiren visitor con sus hijos?' ('U wilt uw kinderen bezoeken?') De opmerking komt niet helemaal uit de lucht vallen. Waren ze in Nasca met haar moeder op stap, in Ecuador zijn ze met zijn ouders aan het rondreizen geweest. Maar goed, je wordt zo wel weer met de neus op de feiten gedrukt. Qua leeftijd zou het kunnen dat we hun ouders zijn.

We praten een boel bij over de belevenissen tot nu toe. Ze brengen ons bovendien op een ander idee voor het vervolg van de route. Van Baos kun je over een bijna compleet verharde weg, veel rustiger maar wel verder dan de Panamericana van Ambato, en wel weer even over 4000 meter hoogte, ook naar Quito komen. Je gaat dan een stuk door de jungle en vanuit Tena, een plaats die je na twee dagen bereikt, is een excursie naar de jungle veel beter te organiseren dan hiervandaan. Dus doen we dat maar. Jim laat ons later nog foto's zien van een stuk van die route over een fietspad dat een oude spoorlijn volgt. Ook dat ziet er heel aantrekkelijk uit. Morgen gaan we Baos verkennen, besluiten we, en zondag gaan we met de bus op en neer naar Ambato om de achtergelaten spullen op te halen. Dat doen we dus niet meer, spullen achterlaten met het idee dat we er toch terugkomen.

We tracteren de Duitsers op een etentje en zitten als eersten in restaurant Mariane, een Frans restaurant, uitstekend eten en erg gezellig. We gaan bijna als laatsten weg. Sven en Doroo beloven morgenochtend langs ons hotel te fietsen om afscheid te nemen.

-------------------