HOME

Frank en Marianne
April 2009

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Woensdag, 1 april, Calama

We nemen een dag rust, na de ontberingen van gisteren. Veel gebeurt niet veel op zo n dag. We gaan naar de turismo, kopen wat dingen in de supermarkt waarvan we vermoeden dat ze in Bolivia wat minder voorhanden zijn, lopen naar het Parque Loa, de rivier waaraan de oase zijn bestaan dankt, en komen daar tot de ontdekking dat het museum dicht is.

Parque Loa Calama

Tja, dan bekijken maar we een staartje van Bolivia-Argentinie en zien Maradonna geweldig verliezen, 6-1 voor Bolivia, maar dat is dommigheid van Maradonna, vind ik dan. Hij dacht de spelers maar kort aan de hoogte van de puna te moeten blootstellen en de ploeg arriveerde dus pas enkele uren voor de wedstrijd. Elke fysioloog kan je vertellen dat je moet acclimatiseren op de hoogte van La Paz, de hoofdstad van Bolivia waar de wedstrijd gespeeld werd, 3500 meter. Eigen schuld dus. Chili speelt later tegen Uruguay gelijk (?), en dus staat Brazilie op de tweede plaats, na Paraguya.

Donderdag 2 april, San Pedro de Acama

The desert beaten! Vanwege wat lawaai in ons hotel zijn we vroeg op en omdat het ontbijt niet erg veel voorstelt ook vroeg op weg. Broodjes kopen en dan weer de woestijn in, nu met extra eten en drinken om als het nodig is te kunnen stranden. We passeren de brug over de Loa en gaan dan omhoog, niet al te steil, maar wel omhoog. We zien de weg weer zo n vijftig kilometer voor ons uit de bergen in gaan.

We fietsen door tot we 25 km op de weg no. 23 gehad hebben en drinken dan koffie. We zijn dan op ongeveer 2600 meter hoogte, maar het gaat nog verder omhoog. In etappes van 5 km gaan we verder. Na 40 km zegt Frank tevreden dat de mevrouw van de Turismo gisteren erg behulpzaam was. Ze zei namelijk dat we niet verder omhoog hoefden dan 2600 meter, maar daar zijn we nu allang voorbij natuurlijk. Hadden we geweten dat we verder omhoog moesten dan 3000 meter, dan hadden we ons misschien nog eens bedacht. Ook Niels die dit traject anderhalf jaar geleden met de bus aflegde, had het niet over grote hoogteverschillen. Nu gaan we steeds verder omhoog, in de hoop dat we er bijna zijn ... op de top. De Chilleense gids maakt melding van het hoogste punt op km 55, maar dan zijn we er nog niet. Een eindje verder komen we tot maar liefst 3420 meter hoogte alvorens we eindelijk mogen gaan dalen.

Portezuela Barros Arana 3420m

Het is al bijna vier uur dan, we hebben 64 km afgelegd en moeten er minstens 95. Wel positief is dat het uitzicht eindelijk weer de moeite waard is: op links besneeuwde Andestoppen, zij het wat heiig, op rechts gekleurde bergen die wat lager zijn. We dalen spectaculair snel, te snel, want een km of tien voor we er zijn moeten we toch nog weer 150 m omhoog, wat niet meevalt. Maar dan hebben we het ook gehad, we dalen nog over een afstand van 5 km en zijn dan in San Pedro de Atacama waar we meteen alerlei talen horen spreken. een toeristishe plaats dus.

Vanaf de weg Calama San Pedro

Bij bijna het eerste hostal waar we langskomen, nemen we een kamer. de mevrouw is aardig en Niels, die hier al twee keer eerder was had het over dit hostal, dus slecht kan het niet zijn. Is het ook niet. Na de douche drinken we eerst ons eigen bier op dat de mevrouw van het hostal voor ons koelde in de driepvries, en gaan vervolgens eten bij Tierra Todo Natural. Eindelijk eens wat anders dan het standaard Chileense eten, dat voordeel heeft zo n toeristische plaats weer wel.

En ... vandaag .., we have beaten the desert, zegt Frank, want we fietsten op een haar na 100 km en bijna 1600 meter omhoog. En zonder zeuren, maar dat kwam omdat we er stiekem rekening mee hielden dat we wel eens konden stranden en dus 6 liter water en eten extra bij ons hadden. Morgen gaan we uitzoeken hoe we hiervandaan verder gaan. We hebben het wel gehad met die woestijn. Vanaf Copiapo, op 15 maart, fietsen we al door de woestijn, en we willen we weer eens kamperen op een groen grasveldje.

groeten, Frank en Marianne

--------------------------------------------------------------------------

Vrijdag 3 april, San Pedro de Atacama

Bij drie agencias de viaje vragen we hoe we naar Uyuni (Bolivia) kunnen komen en of de fiets mee kan. Bij eentje kan het zeker niet, bij een ander wordt de fiets apart opgestuurd en bij de derde gaat de fiets met ons mee, lijkt het, maar moeten we apart betalen. Hoeveel? Dat moet de jongen aan El Jefe vragen. Morgen weet hij het. We besluiten pas maandag te gaan en zeggen dat we morgen terugkomen om te horen wat het kost.

Iglesia San Pedro

San Pedro is inderdaad een aardig dorp, zoals Niels al zei. Weliswaar erg toeristisch, je hoort er alle talen spreken tot en met Sloweens aan toe, maar toch niet onaangenaam. Er zijn meer dan genoeg eettenten. We eten s middags een broodje bij Casa Piedra. Natuurlijk kan ik het niet laten om de Indio Picaro op te tillen en de ober komt lachend op ons af. Ik leg uit dat ik wist wat er zou gebeuren. Niels stuurde een email hierover.

De Indio Picaro is een houten beeld van een indiaan en als je die optilt komt er een reuze penis onder zijn kleren vandaan. Buiten op de patio staat er nog een, nog groter, maar die laat ik maar staan. San Pedro is helemaal opgebouwd uit lemen huizen met die typisch roodbruine kleur. van buiten ziet alles er hetzelfde uit, een beetje armoedig misschien, maar binnen is het altijd erg aangenaam.

We lopen door een van de straatjes achteraf en er klinkt gitaarmuziek uit een huis. Het blijkt de kapper te zijn, die bij gebrek aan klanten maar een stukje oefent. Omdat ik wel weer aan een knipbeurt toe ben, bezorg ik hem wat klandizie. Frank kijkt toe hoe de jongen zeer zorgvuldig te werk gaat. Eigenlijk is het een herenkapper, geloof ik, want er hangen alleen foto s van mannenmodellen. Maar goed, het resultaat is dat ik er weer even tegen kan. Frank had ik vanmiddag al onder handen genomen dus we kunnen allebei frisgeknipt Bolivia in.

Later is El Jefe aanwezig en regelen we de trip naar Uyuni.

Zaterdag 4 april, San Pedro de Atacama

We fietsen vanmorgen een rondje langs een paar van de oases rond San Pedro. Dat is veel leuker dn in het dorp rondhangen, je ziet er geen toerist meer. Wel komen we hardlopers tegen met een nummer op. Atacama crossing staat erop. Het blijkt onderdeel van Racing the Planet, hardlopend door de Atacama, de Gobi, de Sahara en op Antarctica. In het dorp zien we later de finish van de snelsten. 7 dagen 250 km door de woestijn hardlopen.

Finish Atacama Crossing

Ik ben benieuwd wat er de volgende keer dat ik naar de kapper geweest ben op het programma staat. (de vorige keer in Pucon was het de Ironman). Het zal wel zoiets zijn als met zelfgemaakte vleugels en zonder zuurstof op en neer naar de maan fladderen.

alle Del Muerte

's Middags gaan we mee met een excursie naar de Valle de la Luna. Daar moet je de zon zien ondergaan, dan zijn de kleuren van de bergen het mooist en veranderen steeds. Het heet Valle de la Luna omdat het op een maanlandschap lijkt en dat is ook zo. Met vele andere toeristen, want er zijn meer busjes dan het onze, bekijken we dat alles. Indrukwekkend mooi. Maar om morgen nu weer met zo n kudde-expeditie mee te gaan, dat doen we maar niet, vindt Frank. We fietsen zelf wel weer een ander rondje door de oases.

Valle De La Luna

Zondag 5 april, San Pedro de Atacama

Zo gezegd, zo gedaan. Na het ontbijt, dat we hier zelf moeten verzorgen, fietsen we naar Quitor. Er is een fort dat door de Heren van Atacama gebouwd is, als ik het goed begrijp tussen 145 en 900 jaar na Christus. Net als in Quilmes in Argentinie, dat we in 1993 bekeken, is het een verzameling stenen muren, de daken waren van hout en leem en dus verdwenen, op een strategische plek, tegen een berg omhoog met uitzicht op de vallei waar de vijand al van verre gespot kon woren. In de Incaperiode, rond 1450, werd er kennelijk nog enigszin in vrede samengeleefd met de overwinnaar, maar de Spanjaarden maakten het weer bont. Bij een van de Spaanse expedities werden 300 indigenes gedood en hun hoofden ter afschrikking op de muren van het fort gezet.

Dat ze hier nog een Spanjaard binnenlaten in dit land snap je soms niet. Hoewel, het merendeel van de huidige Chilenen stamt af van de Spanjaarden, al zien we hier in San Pedro relatief veel mensen van indiaanse afkomst. De toegangsopbrengsten van alle toeristische zaken komen dan ook ten goede aan de Indiaanse gemeenschap. Ze hebben wel iets geleerd. En hier, in tegenstelling tot in Canada of Australie, leven de mensen van Indiaanse afkomst ten minste gewoon midden in de samenleving en niet in een reservaat. Al is het wel zo dat de mindere baantjes, hotels schoonmaken en zo, voor mensen van Indiaanse afkomst lijken te zijn.

Pukara Quitor

We klauteren omhoog, over een pad van het soort Oma-blijft-u-hier-maar-wachten,-we-halen-u-straks-wel-weer-op. Je kunt hier erg diep omlaag vallen, maar dat doen we gelukkig niet. Al met al klauteren we zo'n 200 meter omhoog en hebben dan daarvandaan prachtig uitzicht op alle plekken waar we gisteren met het busje ook waren. Ook zien we de twee wegen omhoog de Andes in, de ene gaat naar het Alma-project, een grote radiotelescoop die Europa, de VS en Chili hier aan het bouwen zijn op 5000 meter hoogte, de andere voert naar de Altiplano.

Vanaf De Plaza Quitor

Zich tOp San Pedro Vanaf Pukara Quitor

Een aftakking gaat via de Paso Jama naar Argentinie, een onverharde weg gaat via Pasa Hito Cajon naar Bolivia. Die laatste weg nemen we morgen, per jeep dus.

Groeten, Frank en Marianne

--------------------------------------------------------

Maandag 6 april, Villa Mar, Bolivia
Jongens wat is dit mooi en wat ben ik blij dat we dit niet fietsen. Onderweg kwamen we een fietser tegen, ik denk dat ik hem herkende, Jef Kruijs, oftewel Crazy Guy on a bike, and die keek niet al te blij.

Het klopt allemaal, de bus is er, de vrachtwagen om de fietsen tot aan de grens te brengen, en boven bij de Boliviaanse douane (op 4600m) worden we met negen man, 2 Argentijnen, 2 Chilenen, een Fransman van Mauritius, een Canadese en een Engelse in een vrachtwagen die tot bus omgebouwd is gelaten, de fietsen op het dak, de bagage achterin. De eerste stop is bij Laguna Blanca, waar we ook nog eens ontbijt krijgen, allemaal bij de prijs inbegrepen.

Fietsen Op de vrachtwagen Grens Chil Bolivia

 

Daarna Laguna Verde, de Desierto de Salvador Dali, de geisers (Sol de la Manana), Laguna Colorada en tussendoor de meest mooie uitzichten op bergen die je je maar kunt voorstellen. Steeds wisselend van kleur als je er dichterbij komt. We zien vicunas, nandus, viscachas, flamingos. In het Lago Blanca de eerste flamingos, in Lago Colorado heel veel.

Flamingos Laguna Blanca

Interessante vogels zijn dat, flamingo's. Er zijn hier drie soorten, De Andes-, de Chileense en de James-flamingo, van elkaar te onderscheiden door de kleur van de poten. Ze slapen op een poot staand in het meer, en 's nachts vriezen ze dan vast en dan moeten ze 's morgens geduldig wachten tot de zon het ijs ontdooit  en ze weg kunnen. Ze hebben bovendien een interssante manier van eten, een soort filteren van het water. Ze houden de hele kleine garnalen in het water achter als voedsel. Ze zijn roze als ze een ander soort eten dan wanneer ze wit zijn.

Geijsers Sol De La Manana

 

Macedonio Flores is onze chauffeur, en hij vertelt van alles over wat we zien via de radio (hij zit voor in de cabine) en een van de Argentijnen achterin onderhoudt het contact en de Chileense, de Argentijnse of ik vertalen het voor Kris en Sara.  Bij de termas krijgen we lunch, helemaal niet slecht. Het South American Handbook is niet zo lovend over onze agencia, Colque, maar tot nu toe zijn wij zeer tevreden.

Frank En Jef In De Termas

Het laatste stuk tot Villa Mar is erg bumpy en omdat de radiobatterijen op zijn moeten we door fluiten en bonzen Macedonio duidelijk maken dat we willen stoppen om te plassen. Dat levert hilarische taferelen op.

Er loopt een klein jongetje op straat met een panfluit, heel verlegen zijn ze hier. Kris vraagt of ze een foto mag maken, dat mag. Yes, zegt hij, maar meer Engels spreekt hij niet. Ik vraag of hij een stukje voor ons wil spelen op de fluit, maar daar is hij echt te verlegen voor.

Panfluit spelertje

 

Bij ons hospedaje waar we twee dormitorios ter beschikking hebben, een van drie voor de singles, een van zes voor de couples, loopt een mevrouw met een brede pettycoatrok aan en een bolhoedje op. We kennen ze wel van foto's maar in het echt is het allemaal nog veel leuker. Sarah vraagt een een meisje of ze een foto mag maken, maar die zegt nee. later zegt ze, voor cien pesos wel.

Het eten is weer prima en tot onze verrassing komt er na het eten een bandje binnen, waar het verlegen jongetje met de panfluit deel van uit maakt. Drie jongens en een meisje en een volwassen man, die vertelt wat ze gaan spelen. het is allemaal wat amateuristisch, vooral de trom en de kralen waarmee het ritme worden aangegeven kloppen niet zo, maar de jongens met de fluiten zijn geweldig om naar te kijken. dat gaat ontzettend goed gelijk. De volwassene speelt op een heel klein gitaartje en zingt erbij, de kinderen zingen mee, het meisje wat vals maar ze doet zo haar best dat het toch leuk is om naar te kijken. Na de voorstelling gaan ze met de hoed rond waar we  allemaal wat in doneren.

Dinsdag 7 april, Chuvica


Om zes uur horen we in koor in het Spaans tellen. later vertelt Sarah dat alle kinderen uit het dorp voor onze hospedaje op het voetbalveld verzameld zijn en er onder leiding oefeningen doen.

Om zeven uur ontbijten en om half acht op pad, is de boodschap van Macedonio, die overigens niet met ons mee eet, maar bij de eigenaars van het hospedaje in de keuken eet, denk ik. We rijden eerst langs allerlei rotsformaties, Muurschilderingen uit de 12 e eeuw  AD, de Valle de las Rocas, la Ciuad Perdido de Italia, los Arboles de Piedra, het ene nog schitterender en imposanter dan het andere.

Bij die verloren ciudad is een mooi verhaal. Een Italiaanse toerist liep er te wandelen, legde zijn tas met zijn papieren tijdelijk ergens neer en vond ze niet meer terug. Later vonden de mensen uit de streek die wel en omdat de rotsformaties erg op gebouwen in een stad lijken, heet het nu La Ciudad Perdido  De Italia.

Ciuda Perdido De Italia

 

Het enige dat hier op deze hoogte verbouwd wordt is quinoa. We zien af en toe rode velden met keurig in het gelid staande planten die op kleine kerstbomen lijken. Er zijn drie soorten vertelt Macedonio, witte, gele en rode, of eigenlijk vier want er is ook nog zwarte maar die kun je niet zaaien, dat is wilde quinoa. Ze smaken wel allemaal hetzelfde en het groeit alleen maar boven de 3800 meter, alleen in Bolivia en Peru.

Quinoa

 

We lunchen in Villa Alote waar we even later met zijn allen doorheen lopen, op zoek naar de fanfare die we al een tijdje horen. Dit dorp is wat groter en welvarende dan Villa Mar. Er is een voetbaltoernooi gaande en de meisjes van het liceo in Villa Alote zijn net klaar met spelen en lopen verhit voor een van de twee fanfares uit. De andere is nog op het speelveld waar verder het hele dorp verzameld lijkt te zijn. De fanfares spelen weer net als het bandje gisteren, ijverig maar niet helemaal zuiver en niet helemaal in de maat, maar wat geeft het, ze hebben er lol in.

Er loopt een man met een kruiwagen rond die vol lege bikjes bier ligt. Protegido la media ambiente, (ik bescherm het milieu) zegt hij, en geeft me vervolgens opdracht een ijspapiertje op te rapen in de kruiwagen te leggen. Het dorp ziet er ook schoon uit, maar rond het voetbalveld ligt het vol papiertjes en ander afval. Daar moet hij nog even langs.

Er groeit hier op de hoogvlakte duidelijk meer dan aan de Chileense kant, allerlei struikjes en planten waar Mecedonio van alles over vertelt. Hij weet erg veel. Er is ook een mossoort die in grote groene bollen groeit. Die werden door de mensen die hier wonen afgesneden en gedroogd en als brandstof gebruikt, maar dat mag nu niet meer. Je mag het nog wel 'oogsten' als het uit zichzelf dood gegaan en gedroogd is. Het is spul dat goed brandt en de warmte heel lang vasthoudt.  

Beschermd mos

Na de lunch stoppen we nog bij de Valle de Llamas. Iedereen loopt weg om foto s te maken, ik laat dat even aan Frank over en ga Macedonio wat dingen vragen over llamas. Bijvoorbeeld waarom ze allemaal op een plek poepen. Omdat het goed opgevoede beesten zijn, lacht hij. Eentje begint ermee, zegt hij, en dan doet de rest dat ook. Ze willen hun schaarse groen niet onderpoepen. In februari worden ze allemaal gedecoreerd, de vrouwtjes krijgen pluimpjes op de oren, de mannetjes een gekleurd touwtje om hun nek. Sommige hebben ook nog gekleurde dingen op hun rug, en dat zijn dan de leiders van een troep van een eigenaar. Ze moeten om de dag drinken, dus als ze de ene dag hoog boven in de bergen zijn, weet je zeker dat ze de volgende dag naar beneden komen naar het water. De llamas worden gefokt voor de wol en het vlees, dat laatste wordt voornamelijk naar de VS geexporteerd omdat er geen cholesterol in zit.

Valle De La sLlamas

 

Terug bij de bus, zegt Connie, de Chileense, lachend, did you know that we are travelling with a lama leg? Kennelijk heeft Macedonio een lamapoot bij zich, die zit in een zak tussen onze bagage. Na de Valle de la Llamas stoppen we nog een keer omdat Macedonio een slang ziet. Helaas sneuvelt die als Gonzalo, de Chileen uit ons gezelschap, een steen die hij eerst optilde om hem eronderuit te laten kruipen, laat vallen. Sneu voor de slang, maar Macedonio weet er wel raad, vilt hem, laat de huid liggen en neemt de rest mee. Om medicijn van te maken tegen pijn in de schouders. Eerder gaf hij me al twee planten, eentje tegen hoofdpijn, waar ik bijna van moest overgeven, en een andere tegen rugpijn, die ik wel opat, maar echt helpen doet het niet.

We komen aan het einde van de lange dag vol hobbelwegen aan bij een wat groter en duidelijk op veel toeristen ingesteld hospedaje. Er is zelfs een warme douche, al zijn wij te snel daarmee. Die is dan nog koud.

Woensdag 8 april, Uyuni

De laatste dag van de tour bezoeken we de Salar de Uyuni, het grootste zoutmeer ter wereld. Macedonio vliegt er met een snelheid van 109 km/h overheen. Dat weet hijzelf niet want zijn snelheidsmeter is stuk, maar Frank meet dat met de GPS. De korst ziet eruit als ijs en het losse zout ziet er uit als sneeuw, wij en de Canadese (Kris) heben er moeite mee om vlak bij een wak met water te gaan staan, maar dat kan gewoon. De korst bestaat uit zout en is een paar meter dik, daaronder is een laag van 80 meter water met mineralen erin opgelost.

Midden in het meer ligt een eiland Inca Huasi, wat huis van de inca betekent. Het staat vol met eeuwenoude cactussen en we klimmen naar het hoogste punt om over het meer uit te kijken. Schitterend. Er staat aan de rand van het eiland en klein rood tentje. Later ontmoeten we twee fietsers, twee Amerikanen, de ons vertellen dat de mevrouw van het winkeltje dat drankjes verkoopt een boek heeft waarin alle fietsers de hier langskomen iets schrijven. We gaan het even bekijken. Wij moeten er ook iets in schrijven, vindt ze, maar ik vind van niet. Niet als je hier per auto arriveert, zij het met de fietsen op het dak.

Inca Huasi

 

We hebben met zijn allen reuze lol in het maken van foto's op de witte vlakte, de hele trucendoos wordt uit de kast gehaald, dansende mensen op een hand enz. Later stopt Macedonio bij de Ojos de Agua, een soort natuurlijke wakken in de zoutkorst, je kunt er mooi kristallen onder water oogsten. Vreemd genoeg groeien die kristallen niet in gaten die je zelf maakt, het moeten natuurlijke 'wakken' zijn.

Even verder stoppen we bij een zouthotel, alles, de muren, de meubels, de bedden zijn van zout. Het is eigenlijk illegaal, en de twee andere zouthotels zijn dan ook verplaatst naar de rand van het meer. Daar is de belasting voor het millieu minder, in dit zouthotel is geen water, dus is het niet zo hygienisch. Om het wat minder illegaal te maken hebben ze er tegelijkertijd een museum in gericht, maar er worden wel degelijk bedden verhuurd. Als je het museum bekijkt word je geacht iets te kopen, dus dat doe ik dan maar.

Binnen In Zouthotel

MV en Kris Voor Zouthotel

Na nog een korte stop in dorp met heel veel souvenirstalletjes zijn we tegen een uur in Uyuni. De fietsen komen tamelijk heel van het dak en als we alles opgeladen hebben gaan we met vier van de anderen een hostal zoeken. De andere drie gaan straks terug naar San Pedro en hun lunch is nog inbegrepen in de prijs van de tour. Later lunchen wij ook in hetzefde restaurant.

Ze Weegt Helemaal Niets Meer

Zoutblokken en zoutwinning

 

Uyuni is een wat minder stoffig lijkende plaats dan ik me had voorgesteld. Het is er duidelijk wel armer dan in Chili. Veel huizen en gebouwen zien eruit als ze bijna af zijn, maar verder dat dit stadium zullen ze niet komen. Als we later naar het treinkerkhof lopen, over een soort vuilnisbelt, vertelt Monica, de Argentijnse, dat in Buenos Aires appartementen niet graag aan Bolivianen verhuurd worden omdat die er zo'n troep van maken. Maar de mensen en vooral de kinderen zijn zo mooi om te zien, de kleuren van de doeken die de vrouwen om hebben zo vrolijk, en hier zijn ze ook vriendelijk en niet verlegen zoals in de dorpjes waar we waren, dat het geheel toch een positieve indruk maakt.

We eten 's avonds met Roberto en Moica, Kris en Jef (de Fransman) en bespreken de politieke toestanden in de diverse landen. De Atgentijnen zijn heel verbaasd als ze horen hoe bijvoorbeeld Sarkozy allerlei boevenstreken uithaalt. Ze dachten dat in Europa wel alles goed geregeld zou zijn. Monica, Roberto en Kris gaan morgenochtend om zes uur verder met de bus, Jef gaat overmorgen met de trein en ook wij blijven nog een dag in Uyuni morgen.

----------------------------------------------------------------------------------------------------
Donderdag 9 april, Uyuni

Om vijf uur beginnen de trompetters van de kazerne waar we vlakbij zitten te schallen, later komt er gezang in koor bij. Om acht uur staan we op, eten een desayuno Americano en gaan dan verhuizen, van de kamer van vier die we deelden met Roberto en Monica naar een tweepersoonskamer.


In de stad komen we later Jef tegen, drinken samen koffie en gaan dan met zijn computer, die wel via een draadje met het internet verbonden kan worden (met de onze lukt dat op een of andere manier niet) naar een internetcafe en sturen een mail. Dachten we gisteren nog dat we van hieruit rechtstreeks naar Oruro zouden gaan, nu willen we toch via Potosi, dat is verder, maar interessanter en als we bij de turismo zijn blijkt er ook meer alojomiento te zijn onderweg. Als het goed is moeten we het in vijf etappes halen. Wel moeten we dan omhoog, maar goed, als het langzaam kan, moet het maar lukken.


Donderdags is hier een grote markt die erg interessant is om overheen te lopen. Vooral de dames met de kruiden en de gedroogde slangenhuiden, zeesterren en poten van een soort vos zijn schitterend om te zien. En al die dames in brede rokken, met kleurige doeken om waar van alles in zit, en bolhoedjes op, maken het een mooi beeld. Er is overigens alles te krijgen dat je maar zou willen hebben. We kopen eieren, sinasappelen en plepapier, de eerste levensbehoeften dus

. Markt Uyuni


Goede vrijdag 10 april, Pulacayo

Vandaag zeggen we na het ontbijt onze laatste metgezel van de tour door de Salar gedag. Jeff gaat vanavond om tien uur met de trein naar Salta. Hij vertrouwde de bus niet, van Uyuni naar Villazon, de grens met Argetinie, schijnt de gevaarlijkste weg van Bolovia te zijn. Op de patio ontmoeten we nog even de oud-wielerkampioen van Bolivia, die nu als gids met toeristen uit Sucre naar de salar komt. Hij kent de weg goed die we nemen, ooit fietste die van Iquique in Chili in drie dagen naar Sucre, belachelijk snel. het is 10 km omhoog, daarna blijft het tamelijk op hoogte volgens hem.


We kopen broodjes, wisselen nog wat dollars, de ATM werkt niet tot dinsdag. Paasreces kennelijk, al staat er enthousiast 24 horas boven de deur.We rijden langs het spoor de stad uit en ook die kant ziet er uit als een vuilinisbelt, overal plastic zakken en petflessen. De zon schijnt en af en toe hoor je knallen als de damp in zo'n fles te zeer verhit is. We gaan inderdaad omhoog, eerst over een rechte weg,later komen er bochten bij. We zaten in Uyuni op 3650 meter, en stoppen dus weer om de 50 meter klimmen om op adem te komen.

De weg is onverhard, maar niet heel erg druk, een paar bussen en een paar auto's zien we vandaag. Er komt een man de berg af lopen, dik aangekleed, maar wel met blote voeten in sandalen gemaakt van autobanden. Frank kocht ze in navolging van Jeff gisteren ook ter vervanging van zijn kapotte slippers. Hij begint een praatje. Waar we naar toe gaan? Hij was vanmorgen vroeg op, naar Pulacayo om lamaleer van jonge lamas te kopen, maar de eigenaar van de boerderij waar hij ze wilde kopen was er niet en dus was de reis tevergeefs. Te voet 21 km op en neer!

Ik heb pijn in mijn rug waarschijnlijk van het gehobbel in de auto en dat helpt niet echt bij dat klimmen. het hoogste punt dat we vandaag bereiken ligt op 4216 meter, daarna dalen we tot we Pulacayo zien liggen.

Pulacayo

Pulacayo is vanuit de verte een groot dorp veel huizen, maar het is een spookdorp. De mijn is gesloten en lang niet alle huizen zijn bewoond. We vragen bij de militairen aan het begin van het dorp naar Rancho II waar alojamiento zou zijn. Naar beneden het dorp in, wjzen ze.

Oude Treinen Pulacayo

In het dorp zijn meer spoorrails dan straten, lijkt het. Er staat de kleinste locomotief die ooit in Chili reed en de trein die Butch Cassidy en the Sundance Kid overvielen. Argentinie en Bolivia betwisten elkaar de plek waar ze doodgeschoten en begraven zouden zijn, en dus worden alle plekken en zaken die met hen te maken hebben uitgebreid belicht. Zo ook hier op een bord als je het dorp binnenkomt.

Kleinste Locomotief Bolivia

Verder is er niet veel in het dorp. men wijst ons Rancho II, maar vertelt meteen dat het niet open is. We moeten maar bij de ingeniero gaan vragen, die helpt ons wel. Hij woont in dat grote huis. Dicht en op slot natuurlijk. Dan gaan we maar gewoon aanbellen bij een huis zonder groot hangslot op de deur. De mevrouw is zeer behulpzaam. Ze trommelt een andere dame op met de sleutel van het pension.

Dat klinkt aardig, maar meer dan een gebouw met een paar kamers en veel gebroken ruiten is het niet. Maar er is licht en water, warm water blijkt later zelfs en we zijn er blij mee. Ik mag zelf bepalen wat we willen betalen, dus ik zeg 20 bolivianos (gisteren betaalden we 60), Kennelijk is dat prima. We koken er ons eigen, zeer karige maaltje, op ons eigen brandertje en liggen vroeg in bed vanwege de kou op 4150 meter hoogte.

We fietsten maar 21 km vandaag, morgen moeten het er meer worden en hopelijk krijgt de jongen van de turismo dan gelijk met zijn opmerking dat je in alle dorpen onderweg alojamiento en comidas kunt vinden.


Paaszaterdag 11 april, Ticatica

Het was niet koud vannacht, ondanks de 4150 meter hoogte. tegen half negen verlaten we het dorp en komen de mevrouw van het pension tegen, op zoek naar de sleutel die we in de deur achterlieten. Als we weer op de weg naar Potosi zijn, blijkt die voornamelijk omlaag te gaan, dus dat schiet lekker op.

Het weer is al sinds woensdag, de laatste dag van onze tour, bewolkt, maar desondanks zijn de uitzichten schitterend. Veel gebeurt er niet vandaag. Ze zijn overal aan de weg aan het werken en soms is het lastig fietsen, soms, als ze een omleiding bedachten, juist heel goed. Als het alleen zand is, aangestampt, dat wel, dan is dat gemakkelijker dan de losse stenen die als voorbereiding op het asfalteren gestort worden.

Weg Van Pulacayo Naar Ticatica

De jongen van de turismo vertelde eergisteren dat over een jaar de hele weg geasfalteerd zou zijn. We gaan af en toe wat omhoog en omdat we nu op 3800 meter hoogte zitten levert dat niet meer zoveel problemen met ademhalen op dan gisteren. En mischien zijn we ook wel weer wat meer geaclimatiseerd na een nacht slapen op 4150 meter.

Net voor Ticatica gaat het regenen en moeten we de jassen nog aan doen. In het dorp, da we na 66 km fietsen bereiken, is een plek met alojamiento, heel eenvoudig, een kamer in een lemen huis, strooien dak, maar er staan bedden en de madam komt later een emmer water brengen waarmee we ons kunnen wassen. Er is ook een wc de una sorte.

Ticatica

We drinken later bier in een pension (een pension verhuurt geen kamers, je kunt er alleen eten en drinken, maar vreemd genoeg was het gisteren juist andersom). We kunner er ook eten, on zeven uur en dat spreken we dan maar af.


Dat hadden we dus beter niet kunnen doen, althans ik. Frank heeft nergens last van maar ik ren de hele nacht in het donker naar de wc de una sorte. Geen succes,

Paaszondag 12 april, Potosi

We besluiten om met de bus naar Potosi te gaan. Het heeft geen zin om ziek en wel in zo'n vies dorp te blijven, want dat is het, vies. Bolivia is trouwens over het algemeen veel viezer dan Chili en Arentinie. Na een kopje camillethee, dat ik van de mevrouw van de alojamiento krijg als Frank vertelt dat ik ziek ben, rapen we spullen bij elkaar en gaan bij de bushalte staan. Het duurt een uur, maar dan komt er een bus. De tassen en de fietsen worden op het dak gehesen en wij de volle bus in.

We zitten op de motor, lekker warm. Ik durf niet veel naar buiten te kijken, ik voel me nog steeds niet lekker en de bus schommelt langs diepe afgronden. Ook passeren we grote stukken natgeregende grasvelden waar lama's in de regen staan, want dat doet het inmiddels af en toe.

In Potosi is het een boel gedoe eer alles van de bus en op de fiets zit op het drukke, rommelige en vieze busstation. Met enige moeite we zitten hier weer op ongeveer 4000 meter hoogte-- lopen we naar het centrum en nemen een kamer in het beste hotel in de stad. Ik verdwijn meteen mijn bed in.

Het regent flink later, de regentijd is kennelijk nog niet helemaal voorbij hier. Ik kom pas paasmaandagmorgen mijn bed weer uit. Dan heb ik honger.


Groeten,
Frank en Marianne
-------------------------------------------------------------------------------

Paasmaandag 13 april, Potosi

's Morgens lopen we een rondje door het centrum en beklimmen de toren van de cathedraal. De kerk zelf is niet te bezichtigen, die wordt gerestaureerd. Als we weer in het hotel zijn, wordt er op de deur geklopt.

Het zijn Sven en Dorothee, twee Duitse fietsers die we in San Juan ontmoetten. We lunchen samen met hen, lopen wat door de stad, en zitten later op onze hotelkamer uren met ze te praten over onze respectievelijke reizen en drinken cocathee, goed tegen de hoogteproblemen.

 

Sven Doro En MV Op Mercado Central

Buiten is het koud, nog geen 10 graden, en het regent, dondert zelfs, af en toe. Om zeven uur gaan we de was ophalen en Frank gaat nog even wat met ze eten. Ik ben er nog niet aan toe, nog een warme maaltijd vandaag (met moeite at ik vanmiddag twee stukjes pizza) en drink een glaasje cola in het hotel. Cola is goed tegen alle buikproblemen.

Potosi is de hoogst gelegen stad van deze grootte ter wereld. Ooit, in de 17e eeuw, was het de grootste stad ter wereld, en een heel rijke ook nog. Er waren toen zilvermijnen, maar die raakten uitgeput en de stad werd verlaten door velen. Nu zijn er nog veel Spaans-koloniale huizen, bijvoorbeeld het hotel waar we nu verblijven. De straten zijn ook niet zo recht als in andere steden, en veel smaller. Helaas rijden er erg veel bussen die enorme rookwolken uithoesten.

INTERMEZZO

De vraag was hoe ze in Chili die met zout gestabiliseerde wegen maken. Niet door er met uit een zoutvaatje zout over te strooien, veronderstelde mijn vader. We hebben ze er niet mee bezig gezien, maar ik veronderstel dat het als volgt gaat. In plaats van alleen zand met kiezels op de weg te strooien, kiepen de vrachtwagens een mengsel van zand, zout en stenen op de weg en harken dat aan tot het vlak is. Dan volgt er een auto met water die het geheel goed nat maakt, en daarna een wals die het aanwalst. Dat proces van water erover sproeien en walsen herhaalt zich enkele malen en omdat het snel droogt, krijg je vervolgens een glad wegdek, net alsof het asfalt is. We hebben die zoutwegen alleen gezien op plekken waar veel water direct voor handen is, dus dat ondersteunt mijn veronderstelling. Als de stenen in het mengsel te groot zijn en ze steken uit, kunnen er zodra er auto's over gaan rijden gaten ontstaan. Die kunnen ze dan niet met een zoutmengsel repareren, en dus zie je soms dat ze het met asfalt doen. Een beetje vreemd, maar het werkt wel.


Een andere vraag betreft het sleutelen aan de fietsen. Jan vraagt zich af we alles zelf kunnen repareren. Tot nu toe, en dat moet ik afkloppen natuurlijk, hebben we geen problemen gehad, zelfs niet met de busritten waarbij de fietsen op het dak liggen te hotsen en botsen. Elke maand ongeveer maken we alle draaiende onderdelen goed schoon en wisselen de kettingen. En poetsen de rest ook trouwens. Tot onze verbazing, en die van anderen, hebben we in bijna 6500 km nog niet een lekke band gehad waarbij wel gezegd moet worden dat het pompje van Bert wonderen doet. Ik kreeg voor we weggingen een fietspomp van hem, eentje met een slang en daarmee kunnen we de banden veel harder oppompen dan met de Zefal-fietspompen die bij onze fietsen horen.


Hoe we de route samengesteld hebben, was een andere vraag, ook van Jan. Ik heb thuis met de kaarten die we in Nederland kochten globaal een route samengesteld. In Chili en Argentinie waren we al eerder, dus daar wisten we ongeveer wat ons te wachten stond. We hebben er ook stukken gefietst die we al eerder fietsten. In Chili kochten we de werkelijk uitstekende gidsen van de Copec, die per km informatie geven over een weg en wat je kunt verwachten. Het klopte niet altijd even goed, maar over het algemeen hebben we er veel aan gehad, ook om accommodatie en eetgelegenheden te vinden.
Het is niet zo heel moeilijk hier een route samen te stellen want zoveel wegen zijn er niet. We beslissen onderweg wel eens van de route af te wijken, omdat het te lastig is (niet over Ollague naar Bolivia, maar met de jeep vanuit San Pedro), er geen water te vinden is (San Juan, A), een pas gesloten is (Paso Vergara, C) en noem maar op. In de teksten zijn die voorvallen terug te vinden.


Je moet wel rekening houden met wat je onderweg wel en niet kunt tegenkomen. We hadden in het zuiden altijd voor een dag of drie eten bij ons. Water was daar geen probleem, dat kun je gewoon uit allerlei stroompjes halen en zo drinken, het was gesmolten sneeuw. Ook als er beesten in de buurt waren, zei de lokale bevolking dat na 100 m het zand alles wel weer voldoende gefilterd had. Daar zijn we ook niet ziek van geworden. In de woestijn is water wel een probleem natuurlijk en daar hebben we ons ook een keer in vergist op weg naar Calama, lastiger dan verwacht, konden we niet kamperen omdat we te weinig water bij ons hadden, en dus hebben we toen een auto aangehouden.


In Chili en Argentinie zijn in grotere plaatsen supermarkten waar je alles kunt krijgen, in kleinere plaatsen zijn er kleine winkels en koop je wat er toevallig is. Omdat ik vind dat eten uit blik geen eten is, aten we op de Carretera Austral vaak wortelenstamp, uien en wortelen waren de enige verse groenten die er te krijgen waren. Brood is meestal overal te krijgen, maar na drie dagen wordt dat wel erg oud. Op de Paso Agua Negra aten we daarom 's ochtends pap, een soort brinta, niet mijn lievelingseten, maar wel voedzaam. Als er yoghurt te krijgen is eten we ook yoghurt met musli, maar yoghurt neem je hoogstens voor twee dagen mee.


Hier in Bolivia is het weer anders. Er is wel alles te krijgen, maar je loopt er een uur voor over de mercado, een verzameling van allemaal kleine locales, en koopt hier dit en daar dat. We hoopten dat er ook in de kleinere plaatsen wat betere alojamiento en eten zou zijn, maar na de buikloop na Ticatica zullen we toch wel wat meer kamperen, ook al is het koud en vroeg donker. (het is hier overdag 10 graden en 's nachts bijna nul) Hier is weer meer water voorhanden en we hebben een filter bij ons om het te filteren. We gebruiken gefilterd water om te koken en om thee en koffie van de te maken, het water dat we onderweg drinken komt uit flessen. Water kookt hier vanwege de hoogte bij veel lagere temperaturen dan 100 graden, dus thee en koffie zijn snel koud.


Nog een vraag van Jan is, hoe het met ons Spaans gaat. Steeds beter natuurlijk. Hier in Bolivia zijn de mensen goed te verstaan, we begrijpen alles redelijk, maar kunnen niet alles terugzeggen wat we willen en zeker niet in het tempo dat we zouden willen. Maar we redden ons. In Chili praten ze wat sneller, daar was het lastiger, maar door geregeld 'lentemente por favor' (langzaam, aub) te roepen, kwamen we er meestal wel uit. De Chilleense tv was echt niet volgen, dat vindt zelfs Rein, die hier toch al meer da tien jaar een half jaar per jaar woont. Niet dat nodig was, want de meeste programma's waren erg stom en niet interessant. Nieuws was wel te volgen omdat ze headlines altijd onder een item projecteren en alles eindeloos herhalen. Argentijnen zijn ook iets beter te verstaan, al spreken ze daar sommige klinkers anders uit, daar moet je even aan wennen. In Chili en Argentinie begonnen wij meestal een gesprek, hier in Bolivia zijn mensen heel nieuwsgierig en beginnen zij vaak het gesprek. dat is eigenlijk veel leuker, ze zijn dan ook echt geinteresseerd.


Dinsdag 14 april, Potosi


Al we uit het Casa de la Moneda (de oude munt, nu een museum) komen, staat er een jongetje van een jaar of acht met een kistje met mineralen. Hij vraagt of we iets willen kopen. Ik leg uit dat we op de fiets zijn en niet zoveel zware stenen mee willen nemen. Ik vraag hem welke mineralen het zijn. Deskundig en zonder haperen noemt hij de namen en wijst de bijbehorende stenen aan. Frank maakt een foto van hem en ik geef hem wat geld, waar hij geen raad mee weet. Hij had liever wat verkocht, geloof ik.

Jongetje Met Mineralen


Het Casa de la Moneda is de moeite van een bezoek waard. Van het zilver dat hier uit de Cerro Rico gehaald werd in de 16e eeuw werden munten geslagen, eerst met een mal en een hamer. Die munten waren onregelmatig van vorm, het gehalte aan zilver bepaalde de waarde. Toen mensen er stukjes vanaf gingen halen, dat zag je immers toch niet meteen, kwam men op het idee om de munten mooi rond te maken. Het zilver werd gewalst en uit de 1mm-dikke plaat werden de ronde munten geslagen. Dat walsen gebeurde op een prachtige machine met veel houten tandraderen die door vier muilezels werden aangedreven. Die machine kwam uit Cadiz in Europa en werd verscheept naar Buenos Aires en vervolgens met muilezels en karren naar Potosi vervoerd. Dat duurde in totaal 14 maanden. Later werden de muilezels, die met zijn vieren anderhalf uur werkten en dan rust kregen, door een stoommachine vervangen en nog later werd het geheel elektrisch aangedreven. Ooit werden hier in Potosi alle munten voor het Spaanse rijk, ook voor Spanje zelf, geslagen.


Evo is vannacht opgehouden met zijn hongerstaking. Wonderlijk land toch, Bolivia. Ik lees in de krant dat in geen ander land ter wereld het middel van de hongerstaking zo vaak wordt gebruikt als in Bolivia. Evo Morales is niet de eerste president die het doet, hongerstaken. ook in 1946 gebeurde het al eens. Enfin, hij heeft zijn zin gekregen, de senaat ging overstag en er komen geloof ik 14 extra inheemse vertegenwoordigers in het parlement wat betekent dat zijn invloed weer toeneemt. De Argentijnen met wie we de tour maakten, zeiden dat in Argentinie wat lacherig tegen Morales aangekeken wordt. Hij heeft wat veel romantische jaren-zestig ideen. Het is nog niet zo erg als Chavez, zeiden ze. Die neemt in Zuid-Amerika niemand serieus, maar het begint erop te lijken.


In Bolivia hoor je elke dag minstens een fanfare of harmonie. Gisteren was het de dag van de kinderen en liepen de kinderen verkleed over straat achter de harmonie aan. De muziek is niet geweldig, veel luid tromgeroffel en vals getrompetter, maar het enthousiasme is groot. Ook vandaag loopt er weer een band door de straten, zo tegen half acht 's avonds. weer lopen er allemaal kinderen achter aan nu met een lampionnetjes, sommige met kaarsjes, andere met een lampje op batterijen.


We gaan wat eten in een goed restaurant, ik heel voorzichtig, want het gaat nog niet geweldig, Morgen blijven we ook nog een dag hier,


Woensdag 15 april, Potosi


Veel doen we niet vandaag. De buikloop is over, maar de bijbehorende kramp nog niet. halverwege de middag ga ik naar de farmacia en haal pillen, vijf elke acht uur een, dan moet het over zijn.
We lopen, langzaam, want we zitten hier boven de 4000 meter, wat door de stad, eten kippensoep, bekijken alle kerken van buiten. s Avonds eten we wat in hetzelfde restaurant als gisteren, terwijl buiten weer een fanfare langskomt en het af en toe flink knalt. Omdat hier zoveel mijnen zijn, kun je gewoon dynamiet kopen en kennelijk zijn er jongeren die het dan gewoon in de stad laten ploffen. Geregeld knalt het hier flink.

Cerro Rico
Morgen nog maar een dagje Potosi.


Groeten,
Frank en Marianne
-----------------------------------------------------------------------


Donderdag 16 april, Potosi


Veel doen we niet vandaag, voornamelijk rustig houden op de hotelkamer in de hoop dat de pillen die ik gisteren bij de farmacia haalde hun werk doen. Frank vond het niet zo'n goed idee om naar het ziekenhuis te gaan, zoals het meisje bij de receptie suggereerde. Hij zag me daar al op de operatietafel liggen met opengesneden buik en zo.

Hotel Colonial

 


Vrijdag 17 april, Potosi
Het is een heen en weergeloop van jewelste in de gang van het ziekenhuis waar we zitten te wachten op de dokter die zich nog niet vertoond heeft. Er loopt wel een andere dokter geregeld door de gang in een te kleine witte jas. Ik bedenk dat wat zijn witte jas te klein is, mijn kleren inmiddels te groot zijn. Als ik mijn portemonnee in mijn broekzak heb, zakt mjn broek tot op de enkels.


Er komen steeds meer mensen die kennelijk ook op Dokter Roberto Ochoz wachten. Ze gaan allemaal vlak voor de deur staan en als een verpleegster die open doet, drommen ze met zijn allen tegelijk naar binnen. Er komen nog een leerlingverpleegster en twee studenten bij, maar van de dokter geen spoor. Het is een drukte van belang in het kleine kamertje. Een aantal mensen wordt met een afspraak voor later naar huis gestuurd, een man, die weliswaar na ons kwam, mag op de onderzoekstafel plaatsnemen, en de rest wordt naar buiten gedirigeerd. Dan komt de dokter Hij lijkt op Piet Severin.


We wachten maar af en worden als tweede binnengeroepen. Ik leg in mijn beste Spaans uit wat het probleem is en de dokter stelt nog wat aanvullende vragen. Dan moet ik ook op de onderzoekstafel plaatsnemen. De bloeddrukmeter doet het niet. Mijn hartslag blijkt in orde te zijn. Hij palpeert hier en daar mijn buik en vraagt of het pijn doet. Niet echt. Dan smeert de verpleegster mijn buik in en maakt de dokter een echo. De studenten, de verpleegsters en Frank staan om het beeldscherm en kijken mee. 'Pancreas, okay, bladder, okay, left kidney okay, estomago okay, right kidney okay' mompelt de dokter in een mengeling van Engels en Spaans. Maar hij wijst de toegestroomde toeschouwers wel op de enorme hoeveelheid gas in mijn buik. Dat is niet normaal. 'Limpiar' (schoonmaken), zegt hij tegen de verpleegster die vervolgens mijn buik een beetje schoonveegt. Ik krijg een recept mee voor twee soorten pillen en het advies om alles te eten waar ik zin in heb. Erg veel is dat nog niet. Het hele consult met onderzoek kost ongeveer zesenhalve euro, de pillen kosten ook nog eens zes euro. We halen de pillen bij de farmacia en gaan maar weer eens een bakje soep eten bij het Industrie-museum. Sopa salud heet die. Het is kippenbouillon met heel veel kip erin en veel groenten en kruiden. Dat is het enige waar ik zin in heb. Verder brengen we de middag weer in gepaste vrede op de hotelkamer door. 's Avonds probeer ik vis met rijst te eten en dat gaat redelijk. Morgen nog maar een dagje Potosi.

Van Sven en Dorothee horen we dat er op de weg naar Oruro na 24 km termas zijn waar je ook kunt kamperen. Dat is misschien een mooie etappe voor een herstellende zieke op zondag.


Zaterdag 18 april, Potosi


Na het ontbijt lopen we even naar de mercado en kopen nog wat dingen die we nodig hebben, zeep en tandpasta bijvoorbeeld. En bananen, want hoewel ik thuis nooit bananen eet, is het nu zo ongeveer het enige dat ik met enige regelmaat eet en ook zin in heb.


De pillen beginnen te werken, de pijn in mijn buik wordt minder en 's avonds eet ik zo waar een dikke biefstuk met groenten en in plaats van patat friet rijst. Ook hoeft Frank niet meer in zijn eentje een hele fles wijn leeg te drinken, nog wel meer dan een halve, maar het begin is er. Morgen gaan we maar weer eens rustig beginnen.


Terug in het hotel hangt er een briefje van ene Saskia van Djoser. Kennelijk is er een groep Nederlanders in het hotel aangekomen. Het zou me niet verbazen als er ineens een bekende bij is, bedenk ik voor we gaan slapen.


Zondag 19 april, Termas Tarabaya


Vandaag zijn we wat eerder op dan de andere dagen en niet als laatsten bij het ontbijt. Er zijn ook een paar van Nederlanders, en ja hoor, er is een bekende bij. Een vrouw uit Eindhoven die ik nog ken van lang geleden bij Rijntjes. Zij zijn van Sao Paulo in Brazilie via Sucre nu in Potosi terechtgekomen en hebben problemen met de hoogte. Tja, dat dank je de koekoek, als je ineens op 4000 meter terechtkomt. Na het ontbijt pakken we de fietsen op, betalen de hotelrekening en rijden de stad uit, na eerst nog wat broodjes gekocht te hebben.


Het is weer een drukte van belang op straat. een stuk moeten we lopen vanwege een of andere bijeenkomst, auto's mogen er niet door, wij wel. Eenmaal op de weg no. 1 naar La Paz zijn we van de drukte, de zeshoekige klinkers die her en der kapot zijn en van de ergste steilte af. In de stad gingen we spectaculair omlaag. Dat ik dat vorige week, zo ziek als een hond, omhoog gelopen heb, anderhalve kilometer, lijkt me nu onwaarschijnlijk toe. Ik heb je ook geholpen, zegt Frank. Hij heeft inderdaad af en toe mijn fiets omhoog geduwd op de erg steile stukken.


Door een spectaculaire gorge dalen we verder. De weg is goed, sommige stukken zijn nieuw asfalt en niet heel erg druk. Een eindje rijdt een jongen op een piepende en krakende Chinese fiets mee. omhoog gaat hij harder, omlaag wij. Wij blijven dalen, veel verder dan ons lief is want dat moeten er ook weer allemaal omhoog. Bij de afslag naar Tarapaya, laten we 1 even voor wat die is en gaan naar het balneario (badplaats). Het ziet er eigenlijk wel mooi uit. We vragen aan mensen waar het laguna is en of we daar kunnen kamperen. dat kan wel, een stukje terug rechtsaf, maar we kunnen ook naar Miraflores een stukje verder. Daar is een hostal en daar kun je ook kamperen. We gaan er kijken. Het hete water uit de bronnen stroomt de berg af, dampend en wel. Er zijn veel vrouwen de was aan het doen. de brugleuningen hangen vol met kleren die moeten drogen in de zon. Miraflores bevalt ons niet zo en we rijden terug. Bij het zwembad in Tarapaya staan ook cabanas en ik ga maar eens vragen of we daar niet kunnen overnachten en wat die kosten. Dat kan en de prijs valt mee, (nu valt alles mee natuurlijk na zeven nachten in het beste hotel in Potosi), dus we doen het maar. kamperen moeten we sowieso de komende dagen.

Cabana Tarapaya
We fietsten vandaag maar 28 km en daalden maar liefst 700 meter. We zijn er dus ook vroeg, om half een al. De cabana is prima, er is licht, we kunnen er koken op ons eigen brandertje, en het is er schoon. We maken de fietsen wat schoon, --er zit veel modder op van de regenbui voor Ticatica vorige week zaterdag--, zwemmen in de piscina met warm water en zitten een poosje in de zon. Vanaf woensdag was het mooi weer in Potosi maar we hebben er niet echt veel van gezien. Hier is het veel aangenamer qua temperatuur. Volgens de verwachtingen wordt het vanaf morgen bewolkt.


Maandag 19 april, Yuraj Khasa


Het is pikkedonker vannacht, geen maan en er schijnt nergens licht. Zodra het buiten een beetje licht is staan we op en ontbijten in ons luxe keukentje.
Er komt een Boliviaans gerimpeld vrouwtje met een gleufhoed op naar de fontein op de plaza van Yocalla. ze zet haar hoed af, schept met een hand water uit de fontein en gooit dat op haar zwart-grijze vlechten. Omdat ze denkt dat wij het ook warm hebben spettert ze ons ook nat. Maar zo warm vinden wij het niet. We drinken even een kopje thee op de plaza en fietsen dan weer verder.
Een man loopt met een fiets aan de hand omhoog. Hij haalt ons in als we even staan uit te puffen. het is vandaag niet makkelijk, vanuit Tarapaya gingen we eerst omhoog tot 3700 meter, toen omlaag naar Yocalla op 3400 meter, en toen weer omhoog. Steil, zegt de man, nog vier kilometer dan wordt het beter. Hij fietst met een zak achterop naar een dorp verderop. Hij is vivero (kweker) maar wat er in de zak zit, geen idee. We rijden verder, hij loopt verder. Hij heeft maar een versnelling, maar zodra het wat afvlakt haalt hij ons weer in. Uiteindelijk komen we hem tegen als hij op de terugweg is.


Op 4050 meter hoogte in een soort kommetje vinden we het, na 38 km en 1200 meter klimmen, welletjes. Van de weg af gezien is er een stukje vlak met misschien wel gras tussen wat lemen huisjes en een groot wit gebouw. Daar fietsen we naar toe. Het is een soort gemeenschapshuis, lijkt het. Even verderop is het Centro de Salud. Daar gaan we vragen of het goed is dat we een stukje terug de tent opzetten. Ja hoor zegt de man, dus doen we dat. Er lopen af en toe mensen langs die zwaaien en wij zwaaien terug. Een heel oud gerimpeld vrouwtje met een meisje en drie schapen aan een touw, geeft de schapen even aan het meisje en komt mij allerlei vragen stellen. Ik begrijp er niet veel van, het is geen Spaans dat ze spreekt. Het zal wel quechua zijn. De man van het centro komt later op zijn brommer langs komt als wij zitten te eten. Hij maakt een praatje tot de zon ondergaat en is dan rap verdwenen. het is ook erg koud dan. Snel wassen we af en liggen on zeven uur al in de slaapzak in de tent.

kamperen Yurai Khasa


Dinsdag 21 april, Ventilla

Om half zeven loopt de wekker af maar geen van tweeen horen we die. Om kwart voor zeven staan we op en zodra de zon over de bergkam heen is, is het weer vol te houden. De tent zit weer onder het ijs. het was -1 graad toen we opstonden. Helemaal droog krijgen we hem niet, de tent. Om half negen zijn we terug op de weg. een klein afdalinkje en dan weer klimmen. Tot twee keer toe is het flink klimmen. De eerste top ligt op 4250 meter hoogte en daarna dalen we helaas weer tot 3950 meter, en daarvandaan nog eens omhoog tot 4200 meter.


Op die laatste top zit een man in een gele overal met een bijpassende gele sombrero op, een wegwerker. Er liggen drie fietsen in de berm dus er zijn ook nog ergens twee collegas. Die wegwerkers gaan met de fiets omhoog, een schop mee, en soms een pikhouweel of zo, en moeten dan de weg vrijmaken van allerlei grondverschuivingen die hier plaatsvinden. Het is een geologisch instabiel gebied, vertellen borden langs de weg ons. De gele man komt een praatje maken als wij even uitbazen op de top. Van alles wil hij weten, hoe lang we onderweg zijn, of het ver was, en hoe ver. Uiteindelijk vraagt hij ook nog om geld om cocabladeren van te kopen., maar daar beginnen we niet aan.

Gele Wegwerkers

We dalen af maar dat gaat niet snel want het waait inmiddels bijna Patagonisch. Een laatste heuvel op en dan zien we Ventilla liggen, een redelijk groot dorp. We rijden eerst naar het centrum, waar we meteen de hele dorpsjeugd op ons af krijgen. Als Frank een foto wil maken, stuiven ze weer weg. Een stukje verder is een hotel, vertellen ze. We gaan er kijken en het restaurant ziet er redelijk uit. Er wordt gedweild dus we kunnen nog even niet binnen. De kamer blijkt later erg eenvoudig, maar acceptabel en, heel belangrijk, er is een echte (doortrek)wc. We blijven er maar. Morgen is het niet zo moeilijk meer, pampa, langzaam omhoog en langzaam omlaag tot Challapata. Vandaag kwamen we tot 49 km, maar bijna alles reden we boven de 4000 meter hoogte. Alle klims deden we in hapjes van 50 meter klimmen en dan uitblazen. Gelukkig gaat mijn conditie weer vooruit.


Het is een interessant gebeuren in ons alojamiento. De familieverhoudingen zijn niet helemaal duidelijk, maar iedereen doet mee. Er is een opa, die met een stok loopt en van een voet alleen de tenen gebruikt. Hij roept af en toe heel hard cambio als er iemand wil betalen. De man van een jaar of 45 is duidelijk de baas, maar als hij er niet is, is een van de vier meisjes in de keuken verantwoordelijk voor de cambio (wisselgeld). in de keuken zijn de meisjes bezig met aardappels schillen, uien snijden en andere bezigheden die met het te serveren eten samenhangen. Een jongetje van een jaar of tien, in schoooluniform (zwarte broek en groene trui) brengt alle bestellingen zonder knoeien naar hun bestemming, en dat terwijl hij die boven zijn hoofd uit een gat in de muur moet halen. Een meisje van een jaar of acht tekent heel slim tekeningentjes uit een boek over in haar schriftje door ze buiten op de deur te houden. het licht binnen werkt als een lichtbak. Verder zijn er nog wat kleine kinderen, waarvan niet duidelijk is van wie ze zijn, van een van de meisjes. Het is een goedlopende zaak, voortdurend komen er mensen binnen om te eten. Wij kijken, als alibi, naar een voetbalwedstrijd sub-17 tussen Ecuador en Venezuela maar hebben meer oog voor wat er om ons heen gebeurt dan voor de tv.


Woensdag 22 april, Challapata


Tijdens het ontbijt zet het tafereel van gisterenavond zich voort. Er komen mensen binnen die soep eten, stevige soep, het jongetje serveert, de opa houdt alles in de gaten. Wij houden het bij thee en een sandwich completo, dat wil zeggen met ei, ui en tomaat. Het is mooi weer maar fris buiten als ik even sta te wachten tot Frank zover is. Er zijn al weer flink wat mensen op straat, fruitverkopers, mensen die op de bus wachten, kinderen die naar school gaan.


Ruim voor half negen rijden we het dorp uit, vergezeld van een jongen in gele overal op de fiets met een schop. Er lopen twee hele kleine jngetjes, niet ouder dan 4 en 6 jaar oud, op de weg en slaan voor ons gevoel zomaar ergens af de pampa in. De hele route worden we vergezeld door links en rechts lama s op de pampa en rupsen op de weg. Wonderlijk dat er zo hoog, boven de 4000 meter zoveel rupsen op de weg zitten. Verder zijn er weer de nodige bussen en vrachtwagens, maar niet erg veel ander verkeer.

Dorp Net Voor Challapata

Op een km of 25 voor ons doel verbreed de vallei zich. er zijn ineens koeien, veldjes met graan en aardappels. Men is druk bezig de aardappels te rooien. Wij gaan inmiddels alleen nog maar bergaf, soms met harde wind tegen. Challapata is een wonderlijke plaats. we zijn er helemaal langs als we weer terug moeten, op zoek naar Hotel Carmen, volgens Sven en Dorothee het beste hotel in de stad. Na wat vragen vinden we het en het valt niet tegen. De bano privado houdt helaas geen douche in, dus dat wordt weer klooien met een washandje. Later lopen we door de stad op zoek naar iets te drinken en eindigen bij restaurant Potosi waar we dan ook maar eten, ondanks een luidruchtige gezelschap dronken mannen en een vrouw. Net als de andere gasten negeren we ze maar.


Donderdag 23 april, Oruro


De weg is saai, het uitzicht verandert nauwelijks. Er zijn geen lama's meer die nieuwsgierig kijken of verschrikt wegrennen en ook de rupsen zijn in aantal afgenomen. de enige variatie bieden de geel geschilderde getallen op de weg die kilomters aangeven. Een beetje frustrerend is dat wel als per 50 m aangegeven is hoe hard je opschiet en we meer dan 115 km moeten afleggen.


Het is zo plat als een dubbeltje hier langs het Lago Poopoo. Maar dat betekent misschien wel dat we Oruro kunnen halen in een dag. Het is wel ver, maar Sven en Dorothee konden het ook, dus waarom wij niet. Om de tien kilometer rusten we even. We zijn hier nog steeds op een hoogte van rond de 3700 meter en hoewel we redelijk geaclimatiseerd zijn, is het toch hijgen geblazen. Ik heb er vooral de eerste 40 km last van. we drinken koffie, drogen de tent, eten een banaan, eten een broodje, drinken water, en fietsen onze etappes van 10 km, om de beurt voorop, althans vanaf de 40e km. Frank reed het eerste stuk voorop toen ik nog geen puf had. Al met al bereiken we Oruro na 122 km gefietst te hebben met een gemiddelde snelheid van 18,7 km/h. Niet slecht. In de stad moeten we nog steil omhoog eer we ons beoogde hotel bereiken. Eigenlijk moeten morgen de kettingen gewisseld worden, maar dit hotel heeft geen parkeerplaats of zo waar dat makelijk kan. De fietsen staan in een gangetje. Dus stellen we dat maar uit tot La Paz en hebben we morgen een echte rustdag, die ook wel nodig is.


Groeten. Marianne en Frank
---------------------------------------------


Vrijdag 24 april, Oruro


Oruro is niet zo'n toeristische stad als Potosi. Vroeger was het een belangrijke mijnstad, maar de mijnen in de buurt zijn inmiddels allemaal gesloten. Toch is de stad met 245.000 inwoners nog steeds belangrijk als commercieel centrum voor de omgeving. We lopen er wat doorheen op ons gemak, kopen hier en daar wat, broodjes, kaas, eieren, water, bier, enz. In het kader van de gewenste gewichtstoename drinken we koffie en eten er notentaart bij.


Het is een drukte van belang op straat. Overal zie je kleine kraampjes waarin een vrouwtje verstopt zit die snoep en dergelijke verkoopt. Er lopen leerlingen van misschien wel zes verschillende scholen rond, te herkennen aan de verschillende uniformen, die her en der wat snoep kopen. Er zitten schoenpoetsers op de plaza, boekverkopers onder de galerij, en er rijden zoals gebruikelijk veel taxi's en microbusjes rond die dieselwalmen uitstoten. Kortom het gebruikelijke beeld in een wat grotere stad in Bolivia.


Op het platteland zie je nauwelijks verkeer, ook geen mensen op straat in de dorpen. De hele weg afgelopen week stonden bij de dorpjes grote betonnen borden waarop stond dat Unicef hier in 2003, 2004 of 2005 drinkwater heeft aangelegd. Je vraagt je af wat ze daarvoor dronken, water uit de stroompjes waarschijnlijk, maar zonder het te zuiveren.


Zaterdag 25 april, Villa Carbuyo


De weg uit Oruro voert ons via een brede Avenida waar de historie van Oruro als mijnstad duidelijk te herkennen is. Elke vijftig meter is een standbeeld gemaakt van mechanische zaken zoals tandraderen en hamers eindigend in een grote helm. De weg naar La Paz is duidelijk wat minder rommelig als die naar Potosi waarover we binnenkwamen. We kopen nog broodjes en bananen en hopen er dan tegen te kunnen vandaag.


De weg is eigenlijk erg saai. We blijven binnen een marge van 200 meter op dezelfde hoogte, er zijn geen lama s te zien, zelfs geen rupsen op de weg, en ook weinig dorpjes en mensen. We drinken koffie op een plekje uit de wind in de zon. De weg is redelijk druk, er is veel vrachtverkeer en er halen ons veel bussen in, al dan niet vol. Ondanks de geringe steiging vinden we het niet gemakkelijk. We eten een broodje met ei nooit eten we meer eieren dan op fietsvakantie-- drinken er sap bij en rijden door.


Na 64 km hebben we het allebei wel gehad. We zijn in een dorp genaamd Villa Carbuyo en vlak bij het kerkje is een vlak stukje waar de tent wel redelijk zal staan, vinden we. Er loopt een man rond die de aangelijnde koeien voert met gras en hooi en we gaan vragen of hij het goed vindt dat we de tent daar opzetten. Hij heeft geen bezwaar en komt later erg nieuwsgierig kijken hoe ons casa er uitziet. Of het niet koud is 's nachts? Nou nee, dat valt erg mee, met onze slaapzakken. Als de tent staat komt de dorpsjeugd kijken wat wij er doen. Ze bekijken hoe we soep maken en opeten. Een van de wat oudere jongens blijft vragen stellen. Waar Holanda ligt, hoe groot het is, waar het geld me verdiend wordt, etc. Wij stellen de tegenvraag betreffende Bolivia. Hier in dit dorp leven ze van de agricultura, quinoa, trigo (graan), en een beetje lama's en schapen, begrijpen we. De jongere kinderen zijn voornamelijk nieuwsgierig maar verlegen, ze durven zelf geen vragen te stellen. Op een gegeven moment gaan ze naar hun casas en koken wij nog pasta met tomaten, een beetje karig maar we doen het ermee. Als we om zeven uur, want dan is donker, in de tent zitten, zijn er nog twee kinderen buiten aan het rondspoken. Ze trekken voor de lol een haring uit de grond, maar zodra we naar buiten komen om de tanden te poetsen zijn ook zij verdwenen naar huis, Het is ook al redelijk koud dan.

Kamperen Bij Kerkje


Zondag 26 april, Tolar, Hotel Porvenir Villa Lozar


Om kwart voor zeven loopt de wekker af en om kwart over zeven vertoont de zon zich. De tent is wel nat, maar er is geen ijsvorming. Als we aan ons eerste kopje thee zitten, komen de kinderen van gisteren weer nieuwsgierig kijken wat we allemaal aan het doen zijn. Blote voeten in sandalen, een T-shirt en een trui aan, meer niet. Wij hebben minstens drie (Frank) of vier (Marianne) lagen kleren aan en zeker sokken en schoenen. Met vereende krachten, de kinderen houden de tent het grondzeil in bedwang tegen de harde wind, pakken we alles in. We bedanken de kinderen voor hun hulp, zeggen ze gedag en rijden de weg op. Die is niet veel anders dan gisteren; altiplano, dat wil zeggen dat we niet veel en niet al te steil stijgen, maar ook dat er geen spectaculaire uitzichten zijn. Het is een beetje bewolkt maar de temperatuur is niet zodanig dat we truien en lange broeken uitdoen. We drinken koffie, lunchen zoals gebruikelijk en rijden verder, ingehaald door al dan niet toeterende bussen en vrachtwagens. Ze toeteren om ons te waarschuwen dat ze eraan komen of om ons te groeten.

Hulp ploeg Bij Opruimen Tent

In Pacamaya na 64 km, de afstand die we gisteren ook reden, is een hotel maar Frank vindt het te vroeg en wil niet langer dan drie dagen op deze nogal saaie weg rijden, en dus gaan we door. Voor alle zekerheid kopen we water, bier en soep. We rijden nog anderhalf uur door, tot half vier is de afspraak. Maar als we in Ayo Ayo zijn, ziet dat dorp er niet kamperabel uit en er is geen alojamiento. Tien kilometer verder wel, zegt de vrouw van de winkel die wel drie verschilende soorten broden in muds verkoopt. Dus gaan we door, omhoog nog wel, en na een uur fietsen is er inderdaad een echt hotel. Als we er stoppen komt de eigenaar naar buiten om ons te verwelkomen.


De beloning is er weer na 95 km fietsen tegen de wind in op een hoogte van van rond de 3850 meter: Tolar, eigenlijk nauwelijks een dorp te noemen, maar wel twee (!) grote hotels. We nemen het hotel aan de rechterkant, Hotel Porvenis Villa Loza, een grote kamer, een warme douche, koud bier en een goede maaltijd.. Van dat alles genieten we weer. En het grote voordeel van deze wat langer dan geplande etappe is dat we morgen op een redelijke tijd in La Paz zulen aankomen. Daar hebben we weer even rust. Kettingen wisselen, inkopen doen etc.


Maandag 27 april, La Paz


Ik had me gisteren vergeten in te smeren, mijn gezicht bedoel ik dan, de rest van het vel zit onder de kleren, en dat heeft tot gevolg dat ik nu net als de Boliviaanse kindertjes van die Altiplano-wangen heb. Donkerrood en bruin. Het ziet er wel gezond uit. (De rest van het lijf begint Biafra-achtige afmetingen aan te nemen.)


Het is koud als we buiten komen. We zitten dan ook bijna op 4000 meter hoogte en het is half bewolkt. De zon krijgt het op halve kracht niet warm. Gelukkig krijgen we het van fietsen, zeker van bergop fietsen, vanzelf wel weer warm. De weg is niet veel anders dan de dagen hiervoor. Af en toe passeren we een dorp met lemen huizen. Sommige daarvan zijn aan de voorkant bepleisterd en beschilderd met reclame. Wit met blauwe of rode letters is reclame voor cement, ls de gevel helemaal groen of blauw is, dan is het reclame voor telefoonmaatschappijen, en tenslotte is er nog reclame voor bier. De eerste levensbehoeften dus. (Soms zien we zo'n Boliviaans mevrouwtje in een hoepelrok en met bolhoedje op druk praten in een mobieltje.) Het ziet er wat vrolijker uit dan het rode leem, maar de zij- en achterkanten zijn wel nog gewoon rood.


We klimmen tot 4000 meter en zien na 45 km El Alto liggen, de satelietstad van La Paz. Eindelijk komen ook de besneeuwde bergtoppen waar we zo naar uitkijken weer in beeld. De Spanjaarden stichtten La Paz in een kom in de bergen, daar was de wind veel minder sterk dan op de Altiplano. Boven op 4050 meter hoogte is een grote stad ontstaan, de snelst groeiende van Zuid-Amerika. Er komen veel mensen van het platteland naar toe. Het is er een chaos. veel mensen op straat die van alles verkopen, toeterende minibusjes, vrachtautos, grote bussen en daar tussendoor laveren wij. Ik vind het niks, grote steden, maar we moeten er doorheen.

El Alto


Vlak voor de tolpoort wordt het wat rustiger gelukkig. Wij hoeven als fieters nooit tol te betalen gelukkig en kunnen doorfietsen. We negeren het bord No bicicletas maar, want we hebben geen idee hoe we naar beneden kunnen als we niet over de tolweg mogen. De vluchtstrook is gelukkig breed, al zitten er wel hobbels in en moeten we uikijken voor minibusjes die plotseling de vluchtstrook oprijden. Er hangt meestal iemand buitenboord die in rap tempo aangeeft waar deze minibus naar toe gaat. We gaan omlaag maar niet zo veel als we dachten. Vreemd is ook dat er op de hellingen ineens echte bossen zijn, naaldbomen ruiken we zelfs.

vrouwen Met Koeien En Schapen Op Altiplano


Midden in de drukte van La Paz vraagt Frank aan een agent waar de Plaza San Francisco is en laten we daar nu precies staan. Door het straatje met de meeste toeristen en zakkenrolllers krabbelen we omhoog, 25% , lopend dus, maar zelfs dat is niet gemakkelijk op de gladde keien. We gaan naar Hotel Rosario, highly recommended, zegt het South American handbook, en ach het bekende motto geldt nog steeds (nergens kunnen we zo van ons geld genieten als hier). Het is een mooi hotel, grote kamer, er is een patio waar we morgen aan de fietsen kunnen klooien. Even rust in die chaotische stad.


Groeten,
Frank en Marianne
-------------------------------------------------------

Dinsdag 28 april, La Paz

De hele ochtend zitten we op de patio van het hotel te klooien met de fietsen. Ze zijn weliswaar niet erg vies omdat we de laatste tijd alleen maar over verharde wegen fietsten, maar het wisselen van de kettingen verloopt niet echt soepel. Weer sneuvelt er een piefje en de missing links die we van Ernst kregen passen niet op mijn ketting. Uiteindelijk lukt het de ketting weer erop te krijgen door er een schakeltje uit te halen.


Werken Aan Fietsen Gezien Vanaf Vierde Verdiep


's Middags lopen we wat door de straatjes bij ons hotel en bekijken de artesanalia die er te koop zijn. Mooie dingen van alpacawol, kleurige doeken en tafellakens etc. De straatjes zijn vol met toeristen, hier wel. Vanmorgen kwamen we de twee fietsers bij het ontbijt tegen die we op de Salar de Uyuni ontmoetten. Ze vinden dat we de death ride moeten doen, een afdaling van 3000 meter vanuit El Alto naar Coroico. Zij fietsten gisteren terug omhoog en kwamen om half twaalf in het hotel aan. Frank zegt terecht, afdalen dat is niks voor jou, dat doen we niet. Jammer van het T-shirt dat je krijgt als je het wel doet, dan hoor je er pas echt bij natuurlijk.

Woensdag 29 april, La Paz

Na het ontbijt gaan we de stad in en kopen een paar artesanalia bij de verschilende winkeltjes. Later zoeken we een kartonnen doos, wat erg lastig is hier want kartonnen dozen zijn zeer gewild. Op straat zijn allerlei kraampjes met de meest uiteenlopende zaken en alles zit in kartonnen dozen. Als de verkoopster (het zijn meestal vrouwen) de boel sluit, verdwijnt alles in kartonnen dozen, die worden omwikkeld met plastic, touwen eromheen en de boel blijft gewoon zo staan tot de negotie weer begint de volgende morgen. Veel van die kraampjes staan half op straat en de auto's rijden er toeterend vlak langs. Er is geen land waar je zoveel hoort toeteren als hier.

 

Kruiderijen en Andere Geneeskrachtige Middelen

Maar het lukt om een doos te bemachtigen bij een winkel die verf verkoopt. We pakken de boel in, pakpapier eromheen, spenderen er een hele rol plakband aan om de boel te verstevigen en gaan dan naar het postkantoortje vlak bij het hotel. De mevrouw verzekerde ons gisteren al dat het echt muy seguro was, een pakket naar Nederland sturen. Ze vindt dat we er een mooi werkje van gemaakt hebben. Nou gezien de rompslomp die er bij komt kijken, geloven we het wel dat het muy seguro is. We moeten drie verschillende papieren invullen, een kopie van Franks paspoort op de buitenkant van het pakket plakken, en dan wordt er over de postzegels, het adresetiket en die kopie nog een laag plakband geplakt. Het zal wat werk kosten om de boel thuis weer open te krijgen.

's Nachts is Franks beurt om ziek te zijn.

Donderdag 30 april, Koninginnedag, La Paz

We moeten van hotel wisselen, Rosario is volgeboekt. Gelukkig is er vlakbij (50 meter lopen) Hotel las Brisas, waar wel plek is. De kamer is weliswaar kleiner, maar de voorzieningen zijn verder prima. Frank ligt op bed en ik schrik van een mailtje van Marij over een aanslag op koninginnedag. Op nu.nl lees ik alle details. Wat een toestand weer.

's Middags loop ik in mijn eentje wat door de stad, eet een salade en ruil mijn boek. De San Franciscokerk is erg interessant, veel mooie beelden van allerlei heiligen, maar wel wat vol en protserig. 's Avonds eet ik in het restaurant bij het hotel. Frank doet een poging een bordje soep te eten maar voordat dat arriveert valt hij bijna flauw en gaat toch maar weer in bed liggen. Morgen blijven we hier zeker nog, dat staat vast.

Notenkraampje